Kamerling

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een kamerling of hoveling of hofdienaar, meestal een gesnedene[1], vervulde in het Oosten onderscheidene betrekkingen. Kamerlingen werd vooral gebezigd ter bewaking van de vrouwenverblijven, harems genoemd. De opperkamerheer was hun hoofd, van wie zij bevelen ontvingen.

2Kr 18:8 Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla. (SV)

2Kr 18:8 Toen riep de koning van Israël een hoveling en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla. (HSV)

2Kr 18:8 De koning van Israël liet een hofdienaar komen die hij opdroeg om snel Micha, de zoon van Jimla, te gaan halen. (NBV2004)

De bekendste kamerling uit de Bijbel is de Ethiopische eunuch, die tot geloof in de Heer Jezus kwam en door de evangelist Filippus werd gedoopt (Hand. 8:27-29).

'Filippus doopt de Ethiopische eunuch', door Heinrich Jenny (1824-1891).

Zie ook

Eunuch | Kamerheer

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Kamerlingen' is op 26 aug. 2018 onder wijziging verwerkt.

Voetnoot

  1. Gecastreerde, ontmande man, een eunuch.