Kanaänieten

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Kanaänieten zijn de afstammelingen van Kanaän, de zoon van Cham en de kleinzoon van Noah. Ook de inwoners van Kanaän worden in de Bijbel Kanaänieten genoemd, of ze nu van Kanaän afstammen of niet.

Kanaäns nageslacht

Het land Kanaän is genoemd naar Kanaän en werd bevolkt door Zijn nageslacht. Van Kanaän stammen af de Jebusieten, de Amorieten, de Girgasieten, de Hethieten, de Hevieten, Arkieten, Sinieten, de Arvadieten, de Tsemarieten, en de Hamathieten. Zij zijn allen Kanaänieten.

Ge 10:15 En Kanaän gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Ge 10:16 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet, Ge 10:17 En den Hivviet, en den Arkiet, en den Siniet, Ge 10:18 En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid. Ge 10:19 En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. (SV)

Nageslacht van Cham

Van Heth, de zoon van Kanaän, stammen de Hethieten af. 

Kanaänieten in engere zin

Zowel „Kanaän" als „Kanaänieten" hebben een engere en een ruimere zin in het Oude Testament. In Genesis 15:18-21, waar het aan Abram beloofde land zich uitstrekt tot de de rivier de Eufraat, zijn tien naties genoemd: de Kenieten, de Kenizieten, de Kadmonieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Refaieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten (Deut. 7:1 vermeldt zeven volken, waaronder Kanaänieten ; Joz. 3:10 vermeldt zeven volken, als eerste de Kanaänieten). Hier en elders zijn de Kanaänieten slechts één van de vele volken, maar op andere Schriftplaatsen lijkt de term Kanaänieten te slaan op alle inwoners van Kanaän, zoals in Jozua 17:12-13; Nehemia 9:24, Obadja 20 en Zacharia 14:21. Er zijn tal van plaatsen, waarin de Kanaänieten naast een andere stammen genoemd worden als de bewoners des lands, die aan Israël zijn voorafgegaan. Gewoonlijk staan zij naast Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten (Exod 3: 8, 17; 23: 23; 33: 2; 34: 11; Deut. 20: 17; Joz. 9: 1; 11:3; 12:8: Richt. 3:5; Neh. 9:8, soms ook nog Girgasieten, Deut. 7:1; Joz. 3: 10; 24: 11). Daarbij mag uit het feit, dat ze tienmaal met de Hethieten en Amorieten voorop staan, wel worden geconcludeerd, dat ze met deze tot de grootste stammen behoorden.

Dat ze behoord hebben tot de volkerengroep, die wij gewoon zijn als Semieten[1] aan te duiden, staat vast.

Woonplaats in Kanaän

De 'Kanaänieten' in engere zin bewoonden het laagland aan de zee, de kustvlakte. Ten tijde van de twaalf verspieders waren ze ook aan de oever van de Jordaan te vinden. Deze twaalf spionnen, die Kanaän hadden verkend, noemden in hun relaas de woonplaats van de Kanaänieten: 

Nu 13:29 In het Zuiderland woont Amalek, in het bergland [wonen] de Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten, aan de zee en aan de oever van de Jordaan wonen de Kanaänieten. (HSV)

Inwoners van Kanaän

Daarnaast staan echter andere plaatsen, waar „Kanaänieten" gebruikt wordt als verzamelnaam van de vóór-Israëlitische inwoners van de land. Dit is b.v. het geval in Gen. 12: 6; 24: 3, 37; 38:2; 50:11; Num. 21:1,3; Richt. 1:32 v.

Niet-israelietische volken (Wolters).jpg

Kanaäns oudste bevolking

Dat de zeven stammen die Kanaän bewoonden ten tijde van Jozua niet de oudste bewoners van Kanaän zijn geweest, bijkt behalve uit hetgeen de opgravingen ons dienaangaande geleerd hebben ook uit het Oude Testament. Israël heeft nog vage herinnering gehad aan de oudere bewoners van het land. Als zodanig worden genoemd:

  • Refaïeten die vooral in Oost-Jordaanland moeten hebben gewoond (Gen. 14 : 5; Deut. 2 : 11, 20; 3:11; de Statenvertaling noemt hen „reuzen"), hoewel ook een dal tussen Jeruzalem en Bethlehem de herinnering aan hen bewaarde (Joz. 15: 8; 2 Sam. 5 : 18; 23 : 13; Jes. 17 : 5);
  • de Enakieten of „kinderen van Enak" (Statenvertaling), die in het zuidelijke gedeelte van het gebergte van Juda rondom Hebron woonden (Num. 13 : 22-28; Deut. 1 : 28; 2: 10v; Joz. 11:21v; 15:13v; Richt. 1: 10, 20); de Emieten (= "Schrikwekkenden"?), die het latere Moab bezet hadden (Deut. 2:10 v.);
  • de Horieten, die volgens Gen. 14 : 6; 36 : 20v.v. en Deut. 2: 12, 22 de beheersers waren van het gebergte van Seïr, maar blijkens het feit, dat Charoe een der namen van Kanaän is in de oude Egyptische opschriften, ook elders in Kanaän moeten gewoond hebben;
  • de Zoezieten van Gen. 14 : 5, die waarschijnlijk dezelfden zijn als de Zamzummieten van Deut. 2 : 20 en in het latere gebied van Ammon moeten gewoond hebben.

Reuzen

De mannen van Kanaän vielen aan de twaalf Israëlitische verspieders op door hun grote lichaamslengte. Er woonden ook reuzengeslachten als bijvoorbeeld de Enakieten. De twaalf getuigden daarvan: 

Nu 13:32 En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, [bestaat uit] mannen van grote lengte.
Nu 13:33 Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen. (HSV)

Hetzelfde Hebreeuwse woord wordt vertaald met "handelaar" in Job 41:6, Spreuken 31:24 en Jesaja 23:8, zodat de passage in Zacharia 14:21 kan betekenen "er zal geen handelaar meer zijn in het huis van de Heere der heerscharen" (vergelijk Johannes 2:16).

Uit het Oosten

Het schijnt dat de Kanaänieten kort na de stamverwante Amorieten ca. 2530 v. Chr.[2] uit de Arabische woestijn opgedrongen te zijn en zich van het land aan de Middellandse zeekust te hebben meester gemaakt.

Vermenging met de oudste bevolking

Aan een nauwe vermenging van de kinderen van Kanaän ("Kanaänieten" in engere zin) met de voorafgegane stammen, die al in het kustland woonden, stond niets in de weg, omdat ze niet alleen eenzelfde of althans een stamverwante taal spraken, maar ook uit eenzelfde polytheïstische gedachtengang leefden en eenzelfde cultuur deelachtig waren. Uit deze vermenging is de cultuurwereld voortgekomen die wij gewoon zijn „de Kanaänitische" te noemen. In hoeverre het aan de Kanaänieten (kinderen van Kanaän) gelukt is daarop hun eigen stempel te drukken, weten we echter niet. In de volgende beschrijving waarvoor de opgravingen ons in hoofdzaak de stof hebben verschaft, zullen deze uiteraard Amoritische en Kanaänitische en zelfs pre-Amoritische elementen dooreen zijn gemengd.

Cultuur

De Kanaänieten in de zin van de vóór-Israëlitische bevolking van Kanaän stonden op een hoger cultuurniveau dan Kanaäns oudste bevolking. Deze stelde stelde zich tevreden met het bewonen of althans bewoonbaar maken van de door de natuur gevormde holen en grotten, bediende zich uitsluitend van stenen werktuigen en stelde slechts zeer primitieve eisen aan het leven.

De nieuwe bewoners verlieten grotten en holen, die voortaan dienden als rustplaatsen van de doden, voorraadschuren, waterbakken of schuilplaatsen. Ze woonden in hutten of huizen van leem en gebruikten voor de woningen van hun vorsten en groten, ook voor het bouwen van burchten en vestingwerken natuurlijke steen en tichels. Als landbouwers hadden ze behoefte aan oliepersen en wijnpersen, aan dorsvloeren en veestallen, aan molenstenen en ovens, ook aan grote kruiken voor het bewaren van voorraden. Hoewel zij zich voor het naaien nog steeds bedienden van benen naalden of visgraten, maakten ze hun ploegscharen en messen, strijdbijlen en zwaarden, pijlspitsen en spijkers van brons, later ook van ijzer. Zij zochten naar nieuwe vormen en versieringsmotieven voor hun aardewerk en maakten zich sieraden en toiletzaken, waarbij uiteraard vreemde invloeden zich deden gelden.

Hun wooncomplexen, die ze steeds bouwden op het uiterste van een smalle bergrug met steile hellingen dicht bij een bron, omgaven zij eerst met dikke lemen wallen, die rusten op een basis van natuurlijke stenen, en daarna met muren van min of meer behouwen stenen en min of meer geharde tichels, welke muren soms een hoogte van 10 tot 12 meter bereikten. Vandaar de vrees van de Israëlieten voor deze „tot de hemel toe versterkte steden" (Deut. 1: 28). Van hun ingenieursarbeid getuigt de beroemde tunnel van Gezer. De Egyptische verhalen, die zich met deze „Kanaänitische" wereld bezig houden, spreken dan ook van een betrekkelijk hoog opgevoerde beschaving.

Dat daarbij vreemde cultuurinvloeden zich hebben doen gelden, is ook zonder meer duidelijk. Immers Kanaän was de brug, die het Nijldal met de Eufraat-Tigris-vlakte verbond. Over zijn wegen, die ten dele door de kustvlakte, ten dele over het gebergte langs Hebron en Sichem, ten dele ook door Oost-Jordaanland voerden, trokken voortdurend handelskaravanen, die de handelswaren der West-Aziatische en der Egyptische cultuurwereld vervoeren.

Daarlangs drong niet alleen stoffelijke welvaart binnen. Ideële goederen volgden: denkbeelden en begrippen, voorstellingen en zienswijzen. En daarbij komt dan nog, dat zowel Egyptische als Babylonische begeerte naar machtsuitbreiding de heersers van die dagen de ogen deed richten naar dit wel kleine maar enerzijds door zijn ligging en anderzijds door zijn bodemrijkdom zo begeerlijk land.

Religie

Kanaäns religie is een zuivere natuurverering. De goden zijn natuurgoden, verpersoonlijking van de in de natuur werkende, waarneembare krachten. Daarbij trad uiteraard de verering van de manlijke en vrouwelijke zijde van de natuurkrachten op de voorgrond. Deze werden gepersonifieerd in Baäl en Astarte, welke vereerd werden op de bama's of hoogten. Daarbij werd de Baäl (oorspronkelijk aardgod, die daarna naar de hemel is overgebracht en enerzijds met de zon en anderzijds met de regen in verband was gebracht), vereerd in de aan hem gewijde „wijsteen" (eig. opgerichte steen), terwijl zijn „gemalin" Astarte, wier attribuut waarschijnlijk de koe was[2], tegenwoordig werd gedacht in de asjera (Statenvertaling: "bos"), herinnering aan het schaduwrijke bosje, welks geheimzinnig schemerlicht bij voorkeur gezocht werd door de aanbidders van de „goede godin", waar de wellust zich hulde in het gewaad van de religie.

Orgiastisch. Door Kanaäns wijze van godsverering gaat een geweldig orgiastische trek. Godsdienstige feesten ontaardden in orgiën. Wat de Kanaänieten deden in naam van de godsdienst schokte zelfs Griekse en Romeinse schrijvers[3]. Wijngenot en schelle muziek zijn middelen om „stemming" te maken. Bedwelming van de zinnen en opwekking van extatische excessen vieren hier hoogtij. Daarbij zij herinnerd aan het tafereel op de Karmel: door springend huppelen en luide kreten, ook door het zich toebrengen van wonden trachtten de Baälspriesters in exstase te komen en zo de godheid welgevallig te zijn. Mannen en vrouwen prostitueerden zich in dienst van Astarte (schandjongens en schandmeisjes, vgl. Deut. 23 : 18; 1 Kon. 14 : 24; Amos 2 : 7; Hoz. 4:14), waarbij door verwisseling van kleding de sekse wordt verheimelijkt (vgl. Deut. 22 : 5). Schandelijke tonelen moeten zich hebben afgespeeld „op iedere hoge heuvel en onder iedere groene boom" (Jer. 2 : 20). In die richting wijzen ook de grote hoeveelheden Astarte-beeldjes, die door de opgravingen tot ons gekomen zijn. Het zijn afbeeldingen van een naakte vrouw, die haar naaktheid de toeschouwer aanbiedt en daarbij gewoonlijk nog door een handgebaar aan haar onrein bedoelen uiting geeft.

Orakels

De sluier van de toekomst trachtte men op te lichten door orakels. Die zocht men dan op plaatsen, waar dergelijke bovennatuurlijke krachten wonen, dus in beroemde heiligdommen of onder heilige bomen, in wier ruisen men dan een stem meende te mogen beluisteren. Zo b.v. de terebint Moré, d. i. onderwijzer, waarzegger bij Sichem (Gen. 12 : 6; Deut. 11 : 30) en die waarschijnlijk ook bedoeld is in Gen. 35 : 4, 7v., 24 : 26 en Richt. 9 : 6. Voorts de terebint Meoneniem, d.i. van de wichelaars of waarzeggers, eveneens bij Sichem (Richt. 9 : 37). Dergelijke orakels konden ook gegeven worden door godenbeelden of door het een of andere heilige dier van de godheid, waarbij ook wel gedacht mag worden aan het orakel van Baäl-Zeboeb (of -Zebub), de „vliegenbaäl" van Ekron, waarin de vliegen een grote rol schijnen gespeeld te hebben (2 Kon. 1). Of men vroeg dodengeesten (1 Sam. 28).

Geesten

Naast deze godenwereld stond de geheimzinnige wereld van de eliem, van de geesten, waarmede ook de goden op enigerlei wijze verband hielden. Zij woonden in lucht en water, in boom en plant, in huis en hof. Hoewel soms vriendelijk en welwillend, deden ze gewoonlijk hun kwaadwillende en schadelijke invloed gelden, waarbij zij zich aan de mens in allerlei vorm en onder allerlei gedaante konden vertonen. Gelukkig waren ze zeer gevoelig voor magische handelingen en bezweringen. Ook hadden tovermiddelen en amuletten invloed op hen. Als zodanig moesten dan dienst doen rode kralen, die tegen het boze oog hielpen; balletjes, die genezende kracht hadden; Horus-ogen, die nieuwe levenskracht schonken.

Mens- en kindoffers

Aan die wereld der geesten (eliem) werden ook de bouwoffers gebracht. Dat is een offer aan de god (el) van de grond, waarop gebouwd moest worden en waarbij dus in de grond gegraven moest worden. Herhaaldelijk zijn aan de voet van een muur, onder de drempel van een deur of in het vertrek skeletten ontdekt, die òf in kruiken waren gestoken òf op den grond waren neergelegd, omgeven door een kring van stenen. Van dit lugubere gebruik speekt volgens sommigen[2] ook 1 Kon. 16:34.

1Kon 16:34  In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten [zoon], heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had. (SV)

Niet minder droef was het offeren van eerstgeborenen, welk gebruik blijkens Micha 6 : 7 ook in Israël niet ongewoon was ondanks het verbod van Exod. 22:28, 34: 20. Waarschijnlijk bestond het offer daarin, dat men die jonge kinderen levend in een kruik deed en dan op een hoogte (bama)begroef. Daarnaast kende men ook het offeren van kinderen in tijden van groten nood (2 Kon. 3 : 27). In hun dienst aan hun goden en geesten deden de Kanaänieten dus gruwelijke dingen, waaronder ook het verbranden van hun zonen en hun dochters.

De 12:31  Gij zult alzo niet doen den HEERE, uw God; want al wat den HEERE een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochteren met vuur verbrand voor hun goden. (SV)

Machtiger dan Israël

De inwoners van Kanaän waren meerder en machtiger dan de Israëlieten.

De 7:1 Wanneer u de HEERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij; (SV)

Gods strafgericht

Om hun gruwelen en om te voorkomen dat ze Israël cultureel zouden besmetten en Gods volk zouden doen zondigen, moesten de Israëlieten de inwoners van Kanaän verdrijven, slaan, doden en hun afgodische dingen vernietigen.

Nu 33:51  Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gijlieden over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaän;  Nu 33:52  Zo zult gij alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult gij al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen. Nu 33:53  En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om hetzelve erfelijk te bezitten. (SV)

Ze moesten geslagen worden en verbannen worden.

De 7:1  Wanneer u de HEERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij;  De 7:2  En de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zo zult gij hen ganselijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. (SV)

Alles wat adem had, moest worden omgebracht.

De 20:16  Maar van de steden dezer volken, die u de HEERE, uw God, ten erve geeft, zult gij niets laten leven, dat adem heeft.  De 20:17  Maar gij zult ze ganselijk verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, gelijk als u de HEERE, uw God, geboden heeft;  De 20:18  Opdat zij ulieden niet leren te doen naar al hun gruwelen, die zij hun goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen den HEERE, uw God. (SV)

Bronnen

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Levites. Hieruit is vertaalde tekst opgenomen in 2012.  

F. W. Grosheide, J.H. Landwehr, C. Lindeboom, J.C. Rullmann, Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche volk. Kampen: J.H. Kok, 1925-1931. Zes delen. Tekst van het lemma 'Kanaänieten' is onder wijziging verwerkt op 21 nov. 2020.

Voetnoten

  1. Niet verwarren met de nakomelingen van Sem, de broer van Cham.
  2. 2,0 2,1 2,2 F. W. Grosheide, J.H. Landwehr, C. Lindeboom, J.C. Rullmann, Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche volk. (Kampen: J.H. Kok, 1925-1931) s.v. Kanaänieten.
  3. Pat Alexander (eindred.), H. Mulder (eindred.), Encyclopedie van de Bijbel (Den Haag: Voorhoeve, 1980), blz. 286.