Keppel (hoofddeksel)

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een keppel (Hebreeuws kippah) is een hoofddeksel dat door Joodse mannen gedragen wordt uit ontzag voor God.

Het keppeltje is misschien wel één van de meest opvallende uiterlijke kenmerken van de Joodse man. In het Hebreeuws spreekt men van een kippáh (meervoud: kippot) en in het Jiddisch heet het vanouds een yarmulke.

Terwijl de orthodox Joodse mannen en jongens de hele dag hun keppel op houden, bedekken de minder strenge, conservatieve Joden alleen bij godsdienstige aangelegenheden hun hoofd.

Keppeltjes zijn er in een grote verscheidenheid: van zwart zijde tot wit katoen, al of niet voorzien van borduursels of motieven. Hoewel de effen zwarte kippah vaak gezien wordt op de hoofden van mannen die een striktere godsdienstige wandel hebben, is dit zeker geen regel.

In veel orthodox Joodse families is het nog steeds gebruikelijk dat de meisjes voor hun verloofde zelf een keppeltje haken.

Oorsprong

Het dragen van een keppel is geen bijbelse verordening. De Bijbel gaat eerder uit van het blootshoofds zijn van de mannen. Alleen van de hogepriester lezen we, in Exodus 28:4, dat hij een ‘hoed' of ‘tulband' droeg. Zelfs door de Talmoed wordt het dragen van een keppeltje niet voorgeschreven. Pas in de 16e eeuw lezen we dat hoofdbedekking verplicht was voor Joodse mannen, hoewel het toen waarschijnlijk al eeuwen de ‘gewoonte' was. Een 13e eeuwse rabbijn beklaagde zich erover dat er zelfs jongens waren die zonder hoofdbedekking de Torah bestudeerden... schandalig!

Reden

Hoe het ook zij, vandaag de dag zal men in elke synagoge de mannelijke bezoekers vragen het hoofd te bedekken. Niet alleen uit eerbied voor het Huis van God, maar bovenal uit ontzag voor de Almachtige, God, ver boven ons verheven.

Wie de Klaagmuur te Jeruzalem bezoekt wordt geacht zijn hoofd te bedekken... desnoods met een kartonnen keppeltje.

Nieuwe Testament

Volgens het Nieuwe Testament is Christus het hoofd van iedere man en behoort de man daarom bij openbaar bidden of profeteren zijn hoofd niet te dekken.  

1 Corinthiërs 11:3 Maar ik wil dat u weet, dat Christus het hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus. 1 Corinthiërs 11:4 Iedere man die bidt of profeteert met iets op zijn hoofd, onteert zijn hoofd; (...) 1 Corinthiërs 11:7 Want de man behoort zijn hoofd niet te dekken, daar hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. (TELOS)

Het Joodse volk heeft, op een gelovig overblijfsel na, de Messias (Christus) verworpen. Zijn heerlijkheid en hoofdschap is voor hen helaas verborgen. Het is alsof dat de keppel de bedekking van (de heerlijkheid van God in) Christus symboliseert.

Bron

Voor de eerste versie van dit artikel is, onder toestemming, gebruik gemaakt van het artikel Het keppeltje (door Alfred Esch) op JongIB.nl