Lukasevangelie/Hoofdstuk 5

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oude Testament: Ge Ex Le De Jo Ri Ru 1Sa 2Sa 1Ko 2Ko 1Kr 2Kr Ezr Ne Es Job Ps Sp Pr Hgl Jes Jer Kla Eze Da Hos Joë Am Ob Jon Mi Na Hab Zef Hag Za Mal
Nieuwe Testament: Mat Mar Luk Joh Hand Rom 1Kor 2Kor Gal Ef Flp Col 1Th 2Th 1Tim 2Tim Tit Flm Heb Jak 1Petr 2Petr 1Joh 2Joh 3Joh Jud Opb

Lukasevangelie:


Hoofdstuk 5 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Luk. 5:10

Lu 5:10  en evenzo ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeus, die deelgenoten van Simon waren. En Jezus zei tot Simon: Wees niet bang, van nu aan zul je mensen vangen. (Telos)

Wees niet bang. Simons uiting 'Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens' (vers 8) drukte vrees uit. Deze vrees wil de Heer nu wegnemen.

Van nu aan zul je mensen vangen. Deze voorzegging is in vervulling gegaan in het leven van Simon. Een wonderbaarlijke visvangst vond plaats op de Pinksterdag, na de toespraak door Simon Petrus:

Hnd 2:41  Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. (Telos)

Luk. 5:12-16 Reiniging van een melaatse man

De parallelplaatsen zijn Matth. 8:1v en Mark. 1:40v.

Luk. 5:12

Lu 5:12  En het gebeurde toen Hij in een van de steden was, zie, daar was een man vol melaatsheid; toen hij nu Jezus zag, viel hij op zijn gezicht en smeekte Hem aldus: Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen. (Telos)

Een man vol melaatsheid. Mattheüs en Markus spreken slechts van "een melaatse". Lukas, de arts, geeft meer te kennen. Aangenomen dat de man een leprapatiënt was, moeten wij op grond van Lukas' onderstellen dat de lepra in een vergevorderd stadium was. Zie Lepra.

Viel op zijn gezicht. Om hem te huldigen. Hierop wijst het gebruikte Griekse werkwoord. In Mattheüs lezen wij:

Mt 8:2  En zie, een melaatse kwam naar Hem toe en huldigde Hem en zei: Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen. (Telos)

Markus zegt dat de melaatse "voor Hem op zijn knieën viel".

Mr 1:40 En er kwam een melaatse naar Hem toe, die Hem smeekte en voor Hem op zijn knieën viel en tot Hem zei: Als U wilt, kunt U mij reinigen. (Telos)

Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen. De melaatse belijdt zijn geloof in de wondermacht van de Heer.

Hij zegt niet: 'kun u mij genezen'. Melaatsheid werd vooral gezien als een onreinheid. Reinigen gaat verder dan genezen: gezond èn rein voor God worden.

Luk. 5:13

Lu 5:13  En Hij strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil, word gereinigd! En terstond week de melaatsheid van hem. (Telos)

Hij strekte zijn hand uit, raakte hem aan. Het was geen toevallige aanraking in het voorbijgaan, maar een opzettelijke aanraking.

Uit Joodse bronnen weten wij hoe rabbi’s, leermeesters, in de tijd reageerden op melaatsen. De éne rabbi gooide stenen naar een melaatse, om hem maar op afstand te houden. Een andere leermeester verstopte zich. Een derde rabbi maakte zich snel uit de voeten, hij rende weg. Zij wilden niet onrein worden. Een rabbi in de tweede eeuw, rabbi Meir, zei: ‘Ik eet géén ei als dat gekocht is in een straat waar een melaatse rondloopt.’[1]

Markus vermeldt wat de Heer bewoog om zijn hand uit te strekken en de melaatse aan te raken

Mr 1:41  En met ontferming bewogen strekte Hij zijn hand uit, raakte hem aan en zei tot hem: Ik wil, word gereinigd! (Telos)

Dat de Heer de melaatse aanraakt, heeft deze wellicht als een tastbaar teken van ontferming ervaren. Iedereen die gezond was meed een melaatse, maar de Heer strekte zijn hand uit en raakte hem aan.

Als een mens iets onreins van een naaste aanraakte, was hij volgens de wet van Mozes schuldig en moest daarom een schuldoffer brengen (Lev. 5:3v).

Le 5:3  Of als hij iets onreins van een mens aanraakt, wat voor onreins van hem het ook is, waardoor hij onrein wordt, [ook] al is het voor hem verborgen gebleven, en hij het [later] te weten komt, dan is hij [toch] schuldig. (HSV)

Heeft de Heer iets onreins, bijvoorbeeld een aangetast stuk huid aangeraakt? Dat weten we niet. De Joden hielden het ervoor dat de aanraking van een melaatse iemand onrein maakt. Wonderbaarlijk is uiteraard vooral dat de melaatse terstond werd genezen.

Een lijk aanraken maakte iemand onrein volgens de wet van Mozes. Ook dat heeft de Heer Jezus gedaan. De bloedvloeiende vrouw die de Heer aanraakte was ook onrein.

Al die aanrakingen maakten de Heer niet onrein. Niet de onreinheid van de zieke, de ongestelde of de dode ging op Hem over, maar Zijn reinheid deelde Hij mee, ging op hen over, waardoor ze hun gezondheid kregen.

Ik wil, wordt gereinigd. Dit Jezus' het antwoord op de smeekbede "Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen".

Terstond week de melaatsheid van hem. Mattheüs zegt dat de melaatse 'gereinigd' werd (Matth. 8:3). Markus zegt én dat de melaatsheid van hem week èn dat hij gereinigd werd (Mark. 1:42). De Heiland had de macht om melaatsen te genezen en te reinigen.

De Heer heeft de ziekten gedragen van de lijdenden die hij genas.

Mt 8:16  Toen het nu avond was geworden, brachten zij tot Hem vele bezetenen, en Hij dreef de geesten uit met een woord en Hij genas alle lijdenden, Mt 8:17  opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Hijzelf heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen’. (Telos)

Luk. 5:14

Lu 5:14  En Hij beval hem het aan niemand te zeggen: Maar ga heen, toon u aan de priester en offer voor uw reiniging zoals Mozes heeft geboden, hun tot een getuigenis. (Telos)

Toon u aan de priester. De priester moest - volgens de wet van Mozes - beoordelen of de melaatse genezen was. Diens reinverklaring moest gebeuren op de wijze voorgeschreven in Lev.14:2vv..

Offer voor uw reiniging zoals Mozes geboden heeft. Daarna op de achtste dag, wanneer de reinverklaring gevolgd is, moest hij in de tempel te Jeruzalem de gave brengen die Mozes in Lev.14:10vv. geboden heeft. Een minbedeelde kon volstaan met een geringer offer. In alle gevallen, of je nu rijk was of arm, moest een lam worden gebracht.

Hun tot een getuigenis. De bevinding dat de melaatse rein was geworden zou strekken hun tot een getuigenis, een getuigenis aan de priesters en levieten en andere mensen in Jeruzalem. Wanneer zij zouden vernemen, door wiens kracht de melaatse gezond was geworden en tevens zien, hoe de melaatse zich op Jezus' uitdrukkelijke aanwijzing aan de wettelijke bepaling in alle stukken onderwierp, zouden zij overtuigd (kunnen) worden, dat Jezus inderdaad en in waarheid de Messias is, en dat hij niet was gekomen, om de wet te ontbinden maar om die te vervullen.[2] De genezen melaatse was een levend bewijs van Jezus' macht en goddelijke zending.

Hij beval hem het aan niemand te zeggen. De melaatse gehoorzaamde het bevel van de Heer, om niet rond te vertellen dat hij was gereinigd, echter niet. Markus verhaalt:

Mr 1:45  Maar toen hij was weggegaan, begon hij het zeer te verkondigen en de zaak te verbreiden, zodat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen; maar Hij was buiten in woeste plaatsen; en zij kwamen naar Hem toe van alle kanten. (Telos)

Het was alsof het lot van de melaatse was overgedragen op dat van de Heer. De melaatse kon weer onder de mensen verkeren, maar de Heer kon niet meer openlijk in de stad komen en was buiten de woeste plaatsen, waarheen de Heer zich terugtrok en bad (Luk.5:16). Hij kon niet meer openlijk in de stad komen, omdat terstond massa's menigten mensen om hem samendromden om hem te horen en van ziekten genezen te worden (Luk. 5:15).

Luk. 5:15

Lu 5:15  Het woord over Hem verbreidde zich echter des te meer; en vele menigten kwamen samen om Hem te horen en van hun ziekten genezen te worden. (Telos)

Het woord over Hem verbreidde zich echter des te meer. Want de genezene kon zich niet stil houden.

Mr 1:45  Maar toen hij was weggegaan, begon hij het zeer te verkondigen en de zaak te verbreiden, zodat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen; maar Hij was buiten in woeste plaatsen; en zij kwamen naar Hem toe van alle kanten. (Telos)

Bovendien waren er omstanders die het wonderwerk van genezing hadden aanschouwd.

Als de melaatse het in de wet van Mozes voorgeschreven reinigingsritueel (Lev. 14) heeft gevolgd, zijn er in Jeruzalem offers gebracht. Het feit van de wonderbare genezing van een melaatse en van zijn reiniging is ook daar bekend geworden. Na de geschiedenis van deze reiniging schrijft Lukas:

Lu 5:17 En het gebeurde op een van die dagen dat Hij leerde, en er zaten farizeeën en wetgeleerden, die uit elk dorp van Galilea en Judea en van Jeruzalem bijeen gekomen waren, en er was kracht van de Heer om gezond te maken. (Telos)

De farizeeën en wetgeleerden zaten daar om Jezus te observeren. Een enkele farizeeër zal Hem erkennen:

Joh 3:1  Nu was er een mens uit de farizeeën, zijn naam was Nicodemus, een overste van de Joden; Joh 3:2  deze kwam ‘s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is. (Telos)

Luk. 5:16

Lu 5:16  Hij trok Zich echter terug in de woestijnen en bad. (Telos)

Vergelijk de parallelplaats in Markus:

Mr 1:45  Maar toen hij was weggegaan, begon hij het zeer te verkondigen en de zaak te verbreiden, zodat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen; maar Hij was buiten in woeste plaatsen; en zij kwamen naar Hem toe van alle kanten. (Telos)

Luk. 5:23

Lu 5:23  Wat is gemakkelijker: te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en loop? (Telos)

Zowel het een als het ander is ondoenlijk zonder kracht en bevoegdheid verleend door God (vgl. vers 17, 24). De beschuldigers stoorden zich alleen aan het schenken van vergiffenis door de Heer Jezus. Hun verontwaardiging was selectief, of beter gezegd, ondoordacht.

Luk. 5:25

Lu 5:25  En onmiddellijk stond hij op voor hun ogen, nam dat waarop hij gelegen had en ging weg naar zijn huis, terwijl hij God verheerlijkte. (Telos)

We kunnen het voorval op onszelf, gelovigen, toepassen: (1) wij hebben vergeving van zonden ontvangen, (2) wij zijn genezen: onze geestelijke blindheid is genezen en onze geestelijk-zedelijke onmacht om God te dienen is tenietgedaan, en (3) wij zijn op weg naar het Huis van Vader, terwijl wij onderweg, op aarde, God verheerlijken, - in zwakheid.

  1. Aangehaald in: René van Loon, Levend bewijs! Rotterdam: Opstandingskerk, 7 jan. 2018. Preek naar aanleiding van Leviticus 13: 45-46 en 14: 1-20 en Mattheüs 7:28 - 8:4 (kerntekst: 8: 4). Pdf-document op Samaritaan.org
  2. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Matth. 8:4. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 11 okt. 2020.