Manasse (koning)

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Manasse was een goddeloze koning van Juda, de opvolger van de vrome Hizkia, in de 7e eeuw vóór Chr. Toen hij in benauwdheid kwam, bekeerde hij zich. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Amon.

Over de betekenis van de naam Manasse en de verwijzingen in de Bijbel, zie Manasse (naam en verwijzing).

Manasse was de zoon van Hizkia en Hefziba (ook geschreven Hefzibah).

2Kon 21:1 Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hefziba. (HSV)

Koningshuis van David
David
 
Bathseba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Salomo
 
Naäma
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Rehabeam
 
Maächa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Abia(m)
 
Maächa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Asa
 
Azuba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Josafat
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joram
 
Athalia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ahazia
 
Zibja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joas
 
Joaddan
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amazia
 
Jecholia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Uzzia
 
Jerusa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jotham
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Achaz
 
Abia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hizkia
 
Hefziba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Manasse
 
Mesullemet
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amon
 
Jedida
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Josia
 
Hamutal
 
Zebudda
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joahaz
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jojakim
 
Nehusta
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jojachin
 
 
 
 
 
Zedekia

Hij regeerde gedurende 55 jaren, van het jaar 698 tot 642 vóór Chr.[1] 

750 — 650 v.C. < Israël 700 — 600 v.C.[2] > 650 — 550 v.C.
HabakukNebukadnezarJojakimJoahazJosiaAmonAsnapparEsarhaddonManasse (koning)SanheribHizkia

Hij was een van de meest goddeloze vorsten, die Juda ooit gehad heeft.

2Kon 21:2 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had. (SV)

Hij vergenoegde zich niet alleen, om het werk van de vrome Hizkia ongedaan te maken (2 Kron. 33:3) en de herleefde ijver voor de eer en dienst van Jhwh uit te blussen, maar stelde er ook prijs op zoveel mogelijk alle soorten van afgoderij op Israëls bodem over te planten. Hij bouwde de hoogten weer op, richtte voor Baäl altaren op, maakte een gewijde paal en boog zich neer voor al heir van de hemel (2 Kon. 21:3). Hij bouwde zelfs altaren in het huis van God te Jeruzalem (2 Kon. 21:4-5). Hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en liet zich in met toverij en waarzeggerij (2 Kon, 21:6). De tempel beroofde hij van de ark van het verbond en bezigde hem voor de dienst van de valse goden. Door het invoeren van allerlei afgodendienst deed hij het volk zondigen.

2Kr 33:9 Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had. 2Kr 33:10 De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op. (SV)

Dit alles ging met schandelijke zedeloosheid gepaard. De godvruchtigen, die zich aan al deze snode maatregelen, die onfeilbaar Juda's ondergang bewerken moesten, niet onderwerpen wilden, vervolgde en doodde hij (1 Kon. 21:5v). Volgens de overlevering zou hij zelfs de profeet Jesaja stukken hebben doen zagen. Verder wordt in het tweede boek der Koningen nog van hem bericht, dat hij begraven is in de hof van Uzza, die wellicht de vroegere eigenaar van deze hof was. Meer vindt men aangaande Manasse in de boeken der Kronieken.

Manasse in de kerker

Weggevoerd. Op het toppunt van zijn misdaden gekomen, werd hij door de legerbenden van de Assyrische koning Esarhaddon naar Babel gevoerd (2 Kron. 33:10v). Misschien had hij omstreeks dertig jaren geregeerd, toen hem deze ramp overkwam.

Bekering. Dit ongeval werd zijn zedelijke redding. In de kerker kwam hij tot inkeer, verootmoedigde zich voor God en smeekte om verlossing. De Heer verhoorde hem, slaakte zijne banden en herstelde hem op de troon van zijn vaderen te Jeruzalem.

Toen werd het zijn wens een beteren weg te gaan. In het godsdienstige, zedelijke en maatschappelijke trachtte hij een gehele omkering te bewerken, en daaraan wijdde hij het overige deel van zijn leven. Doch het gebeurde kon hij niet geheel ongedaan maken.

2Kr 33:15 Ook nam hij de vreemde goden en het afgodsbeeld uit het huis van de HEERE weg, en al de altaren die hij gebouwd had op de berg van het huis van de HEERE en in Jeruzalem, en wierp ze buiten de stad. 2Kr 33:16 Hij herbouwde het altaar van de HEERE en bracht daarop dank- en lofoffers en zei tegen Juda dat zij de HEERE, de God van Israël, moesten dienen. 2Kr 33:17 Toch bleef het volk nog wel op de [offer]hoogten offeren, [maar] alleen aan de HEERE, hun God. (HSV)

Gevolgen van de afgoderij. Welke diepe sporen het kwade voorbeeld bij het grote deel van het volk had nagelaten, leert ons de verdere Israëlitische geschiedenis. Manasse’s zonden waren de hoofdoorzaak van Juda’s ballingschap.

2Kon 21:11 Dewijl dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen; 2Kon 21:12 Daarom, alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen. 2Kon 21:13 En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, mitsgaders het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist dien uit, en men keert hem om op zijn holligheid. 2Kon 21:14 En Ik zal het overblijfsel Mijns erfdeels verlaten, en zal ze in de hand hunner vijanden geven; en zij zullen tot een roof en plundering worden al hun vijanden. 2Kon 21:15 Daarom, dat zij gedaan hebben dat kwaad was in Mijn ogen, en Mij tot toorn verwekt hebben, van dien dag, dat hun vaderen van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op dezen dag toe. (SV)

Jer 15:4 Ik zal hen stellen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, om wat hij in Jeruzalem gedaan heeft. (HSV)

Einde. Manasse werd begraven in de hof van zijn huis te Jeruzalem (2 Kon. 21:18). Zijn zoon Amon volgde hem op.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Manasse' is op 22 dec. 2017 verwerkt.

Voetnoten

  1. 696 - 641 v.Chr wordt genoemd door Aldus Frithiof Dahlby, Bijbels Woordenboek, s.v. Manasse. Baarn: Bosch & Keuning. Elders leest men andere jaartallen. De Encyclopedie van de Bijbel (Lion Publishing, 1978-1980) heeft 696-642 v.C.
  2. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).