Melaatsheid

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Melaatsheid is een eeuwenoude ziekte die vaak in de Bijbel genoemd wordt en nog altijd veel levens teistert. De bekendste vorm van melaatsheid in Bijbelse zin is lepra.

Zie Lepra voor het hoofdartikel over dit onderwerp
Leprapatiënten in Tahiti (1895/1896)

Woorden. In de Griekse grondtaal van het Nieuwe Testament en in de oude Griekse vertaling van het Oude Testament (Septuagint) heet zij in het Grieks lepra. Van het Griekse lepra komt het Latijnse woord leprosus (= melaats), komt het Nederlandse woord leproos, d.i. iem. die aan lepra lijdt, een melaatse. In de middeleeuwen was het woord ‘melaatsheid’ of ‘lazerij’ gebruikelijk[1].

De term melaats in de Bijbel heeft een ruimere betekenis dan het hedendaagse begrip lepra. Ook andere huidziekten zijn inbegrepen. Bovendien kunnen in het Oude Testament ook voorwerpen 'melaats' zijn, wellicht omdat ze beschimmeld of op een andere wijze uitwendig waren aangetast. In de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) heeft men een nieuw woord ingevoerd voor die melaatsheid in ruimere zin: 'huidvraat' voor een mens, 'vraat' voor zaken als een huid.

In de late middeleeuwen ontstaan leprooshuizen, ook genoemd ‘leprozerieën’ of ‘lazarushuizen’. Lazarus gold in het bijgeloof als de beschermheilige van de leprozen. In de geschiedenis van Lazarus en de rijke man, door Jezus verteld (Luc. 16:19-31), is Lazarus een arme man, wiens huid overdekt is met zweren

Lu 16:20  Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren, Lu 16:21  begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken. (Telos)

Lichte vlek, hier op de elleboog. Zo kan het eerste verschijnsel van lepra eruit zien.

De geschiedenis vertelt niet dat Lazarus melaats was. Toch is hij een symbool voor leprapatiënten geworden.

Lepra in vergevorderd stadium. Verkorte vingers.

Zinnebeeld. Melaatsheid, walgelijk bij door haar veroorzaakte verminkingen, is in de Bijbel een zinnebeeld van (uitbrekende) zonde. De zonde, gelijk melaatsheid, tast aan, verzwakt, verminkt. Melaatsheid kan iemand blind maken, ook de zonde verduistert onze blik. De zondaar, gelijk de melaatste, verkeert in een onreine toestand.

God en melaatsheid

Genezing. God is bij machte een melaatse wonderdadig te genezen, zoals we zien in het geval van Naäman de Syriër, en in de genezing van vele melaatsen die de Heer Jezus, de knecht van Jahweh, genas toen hij op aarde was.

Wet van de melaatsheid. Aan het volk Israël had God de wet van de melaatsheid gegeven. Lev. 13 en 14 behandelen de manier waarop melaatsheid (in ruime zin) door de priesters, die in de dienst van God stonden, zou worden ontdekt en behandeld. Wij lezen onder meer:

Le 13:45  De kleren van de melaatse bij wie de ziekte is [vastgesteld], moeten ingescheurd worden, zijn hoofd[haar] moet hij los laten hangen, hij moet zijn baard en snor bedekken en hij moet roepen: Onrein, onrein! (HSV)

Ingescheurde kleding was een teken van rouw, smart. Misschien diende zij ook tot waarschuwing. Baard en snor moesten bedekt worden, dus het onderste deel van het gezicht. Vergelijk deze verzen in Ezechiël, die trouwens niet over melaatsheid gaan:

Eze 24:17  Kerm in stilte, u mag geen rouw over de dode bedrijven. Bind uw tulband om en doe uw schoenen aan uw voeten; u mag uw baard en snor niet bedekken en van het brood dat mensen [u brengen], mag u niet eten. (HSV)

Eze 24:22  (...) U zult uw baard en snor niet bedekken en van het brood dat mensen [u brengen], zult u niet eten. (HSV)

De roep "Onrein, onrein!" was een waarschuwing voor de reinen, opdat dezen afstand zouden houden en zodoende niet besmet zouden worden.

Afzondering van melaatsen. God wilde dat alle melaatsen uit de volksmassa van Israël zouden worden afgezonderd.

Arabische melaatsen bedelend buiten Jeruzalem (1910).

Nu 5:1  En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:  Nu 5:2  Gebied den kinderen Israëls, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein [zijn] van een dode.  Nu 5:3  Van den man tot de vrouw toe zult gij hen wegzenden; tot buiten het leger zult gij hen wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hun legers, in welker midden Ik wone. Nu 5:4  En de kinderen Israëls deden alzo, en zonden hen tot buiten het leger; gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had, alzo deden de kinderen Israëls. (SV)

Melaatsen bedelend bij de poorten van Jeruzalem (ca. 1921)

De melaatse moest alleen wonen, buiten de legerplaats, het kampterrein van het volk Israël in de woestijn.

Le 13:46  Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen. (SV)

Later, ín dat beloofde land gekomen, mochten melaatsen niet in een ommuurde stad komen.

De melaatse koning Azaria (= Uzzia) woonde in een apart staand huis. Toen tien melaatsen de Heiland ontmoetten, bleven zij op afstand staan.

Lu 17:12  En toen Hij in een dorp kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, die op een afstand bleven staan; (Telos)

Geen enkel ander volk in de oudheid heeft melaatsen zo behandeld[2]. Een hoogleraar in de geschiedenis der geneeskunde schreef: “Het 13de en 14de hoofdstuk van Leviticus zijn gewichtige officiële documenten die het verdienen om in letters van glanzend goud geschreven te worden, omdat zij de kiem vormen van de moderne profylaxe tegen besmettelijke ziekten.”[3] (Door 'profylaxe' wordt verstaan: maatregelen ter voorkoming van ziekte.) De Italiaanse medisch historicus schreef: “De wetten op de melaatsheid in Leviticus 13 kunnen worden beschouwd als het basismodel voor de wetgeving op de volksgezondheid.”[4] In de Middeleeuwen nam de Kerk de leiding in de bestrijding van de besmettelijke ziekte melaatsheid[5]. Onze moderne wetgeving op de volksgezondheid is gebaseerd op Gods wetten in de Bijbel[2].

Opmerkelijk is de Goddelijke aanwijzing in Lev. 13:12-13.

Le 13:12  Maar als de melaatsheid op de huid helemaal uitbreekt en de melaatsheid heel de huid van de aangetaste bedekt, van zijn hoofd tot zijn voeten, zover de ogen van de priester kunnen zien, Le 13:13  en de priester heeft gezien dat - zie! - de melaatsheid zijn hele lichaam bedekt heeft, dan zal hij de aangetaste rein verklaren. Hij is helemaal wit geworden, hij is rein. (HSV)

De instructie hier, hoewel schijnbaar tegenstrijdig, is veelzeggend: als de melaatsheid de hele huid bedekt, moet de priester de man rein verklaren. Typologisch gezien: de zonde is aan het licht gekomen en oprecht beleden.

Wanneer een melaatse genezen was, moest hij een reinigingsritueel ondergaan. Een deel van het ritueel is in de prent hieronder afgebeeld. Zie Leviticus 14.

Op deze prent wordt een melaatse - de halfnaakte man in het midden, met de gekruiste armen - in het bijzijn van toeschouwers gereinigd volgens de reinigingswet die God aan Mozes had voorgeschreven (Lev. 14:1-7). Het reinigingsritueel wordt uitgevoerd met behulp van twee vogels. Een vogel wordt geslacht boven een vat met 'levend water' waarin vervolgens het bloed valt. De andere vogel is in deze pot met bloed gedoopt en wordt op de achtergrond vervolgens vrijgelaten. De man links van de melaatse houdt een hysoptak en de beker met vogelbloed vast. Met het bloed zal de melaatse besprenkeld zal worden om hem volledig te reinigen. Le 14:7  En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en den levenden vogel in het open veld vliegen laten. (SV). Zie Leviticus 14

De priester moest buiten het kamp onderzoeken of de melaatse genezen was.

Behalve met betrekking tot de melaatsheid van een mens gaf God ook wetten met betrekking tot melaatsheid aan een kledingstuk en aan een huis. Sommigen verklaren de melaatsheid aan een kledingstuk typologisch als de zonde in iemands omgeving, die moet worden gereinigd of tenietgedaan en de melaatsheid aan een huis als verschijnsel van zonde in een christelijke gemeente, die moet worden verwijderd, of de gemeente moet worden ontbonden. Heiligheid betaamt Gods huis.

Straf van God. In sommige gevallen is melaatsheid een straf van God geweest. Aärons zus Mirjam, Elisa's knecht Gehazi en de Judese koning Azaria werden geslagen met melaatsheid als een direct oordeel van God. Mirjam werd later in genade genezen. In het geval van Gehazi zou de ziekte ook in zijn nageslacht komen. Koning Azaria (= Uzzia), sterk geworden, werd hoogmoedig en wilde een priesterdienst verrichten, waarom hij door God met melaatsheid werd gestraft.

2Kon 15:5  En de HEERE trof de koning, zodat hij melaats werd tot de dag van zijn dood. Hij woonde in een apart staand huis. Maar Jotham, de zoon van de koning, [had de leiding] over het huis en gaf leiding aan de bevolking van het land. (HSV)

Jezus en melaatsen

Melaatse genezen. Voordat de Heer zijn 'bergrede' (Matth. 5-7) hield, was hij in heel Galilea rondgetrokken, terwijl hij het evangelie van het koninkrijk van God predikte en "elke ziekte en elke kwaal onder het volk genas" (Matth. 4:23). Het gerucht van Hem ging uit tot in heel Syrië en vele menigten volgen hem. Nadat hij zijn bergrede tot zijn leerlingen had gehouden, kwam een melaatse naar hem toe (Matth. 8:1v; Mark. 1:40v; Luk. 5:12v).

Mt 8:1  Toen Hij nu van de berg was afgedaald, volgden Hem vele menigten. Mt 8:2  En zie, een melaatse kwam naar Hem toe en huldigde Hem en zei: Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen.  Mt 8:3  En Hij strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. Mt 8:4  En Jezus zei tot hem: Let erop dat u niemand iets zegt; maar ga heen, toon u aan de priester en offer de gave die Mozes heeft geboden, hun tot een getuigenis. (Telos)

Zie Matth. 8 voor een verhandeling over deze passage
Melaatse mannen

Opdracht aan de twaalf. De twaalf discipelen werden door de Heer uitgezonden, met de taak om melaatsen te reinigen.

Mt 10:7  Als u nu heengaat, predikt aldus: Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.  Mt 10:8  Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft demonen uit; u hebt het voor niets ontvangen, geeft het voor niets. (Telos)

Bericht aan Johannes de Doper. In de gevangenis geworpen twijfelde Johannes de Doper. Hij liet aan Jezus vragen:

Mt 11:3  Bent U Degene die zou komen, of moeten wij een ander verwachten? Mt 11:4  En Jezus antwoordde en zei tot hen: Gaat heen en bericht Johannes wat u hoort en ziet: Mt 11:5  blinden kunnen weer zien en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het evangelie verkondigd; Mt 11:6  en gelukkig is hij die over Mij niet ten val komt! (Telos)

Lazarus. In de geschiedenis van Lazarus en de rijke man vertelt Jezus van een man genaamd Lazarus, die vol zweren was en aan de voorpoort van het huis van de rijke lag.

Lu 16:20  Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren,  Lu 16:21  begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken. (Telos)

Lazarus kan een melaatse zijn geweest, hoewel het er niet uitdrukkelijk staat.

Simon de melaatse. In Bethanië woonde een Simon bijgenaamd 'de melaatse'. In zijn huis lag Jezus aan, samen met Lazarus. Daar werd de Heer gezalfd door Maria (Mark. 14:3; Joh. 12:2). Wellicht was ook die Simon door Jezus genezen van melaatsheid.

Tien melaatsen genezen. Een keer genas Hij zelfs tien melaatse mannen tegelijkertijd.

Lu 17:12 En toen Hij in een dorp kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, die op een afstand bleven staan; Lu 17:13 en zij verhieven hun stem en zeiden: Jezus, Meester, erbarm U over ons! Lu 17:14 En toen Hij hen zag, zei Hij tot hen: Gaat heen, toont u aan de priesters. En het gebeurde terwijl zij heengingen, dat zij werden gereinigd. Lu 17:15 Een van hen nu, toen hij zag dat hij gezond was geworden, keerde terug, terwijl hij met luider stem God verheerlijkte. Lu 17:16 En hij viel op zijn gezicht aan zijn voeten en dankte Hem; en deze was een Samaritaan. Lu 17:17 Jezus nu antwoordde en zei: Zijn niet de tien gereinigd? Waar zijn echter de negen? Lu 17:18 Zijn er niet gevonden die terugkeerden om God heerlijkheid te geven dan deze vreemdeling? (TELOS)

Zij werden genezen toen zij deden wat Hij zei: heengaan en zich aan de priesters vertonen. Eén kwam terug om eerst de Weldoener te bedanken.

Geschiedenis

Enkele feiten uit de geschiedenis.

15e eeuw v.C. Melaatsheid is een ziekte die al in de Bijbelse oudheid bekend was. Toen het volk Israël in de woestijn trok, waren er melaatsen bij hen. Op bevel van God gaf Mozes bepalingen aan het volk voor de behandeling van melaatsen.

9e eeuw v.C. "En er waren vele melaatsen in Israel ten tijde van de profeet Elisa, en niemand van hen werd gereinigd, maar wel Naäman de Syrier," aldus de Heer Jezus (Luk. 4:27) 

1e eeuw. Jezus Christus, de Zoon van God, verkondigt het evangelie van het koninkrijk van God en geneest tal van ziekten, waaronder melaatsen (zie boven).

De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (37 — ca. 100 n.C.), die leefde in de tijd vlak na Jezus, schreef: ‘Zij wier lichamen door lepra waren aangetast, werden door Mozes uit de stad verbannen (…) Zij hebben met niemand omgang en onderscheiden zich in niets van doden’ [6]

Middeleeuwen. Voornamelijk tussen 1100 en 1600 komt melaatsheid in de Europese samenleving veel voor[1]. In de 2e helft van de 13e is de ziekte op haar hoogtepunt[1].

Ze wordt als ongeneeslijk beschouwd. Artsen menen dat je melaats kan worden door het eten van peper, knoflook of vlees van zieke varkens. Ook wordt wel gedacht dat de ziekte een straf van God is. Een hoogleraar in de geschiedenis der geneeskunde schreef over de melaatsheid in de Middeleeuwen: “De angst voor alle andere ziekten bij elkaar viel in het niet bij de dodelijke angst voor melaatsheid. Zelfs de Zwarte Dood veroorzaakte niet zo’n verschrikkelijke angst.” [7] De geneesmeester bedachten van alles, maar ze vonden geen geneesmiddel. Daarom nam de Kerk de taak op zich om de melaatsheid te bestrijden[2]. Zij gingen ervan uit dat melaatsheid een besmettelijke ziekte was, zoals beschreven in het Oude Testament. Zij volgde daarbij de voorschriften uit Leviticus. “Als melaatsheid was geconstateerd, werd de patiënt afgezonderd en uit de gemeenschap gestoten (…) De voorschriften uit Leviticus volgend, nam de kerk de taak op zich om de melaatsheid te bestrijden (…) Het was het eerste grote wapenfeit in profylaxe, namelijk de systematische uitroeiing van een ziekte,” aldus de medisch historicus[7].

Door de terugkomst van de kruisvaders, de hernieuwde handelscontacten met het Nabij Oosten en de verstedelijking (bevolkingsgroei in de steden) groeit lepra snel uit tot een epidemie. De stadsbesturen zien zich genoodzaakt iets te doen tegen het toenemend aantal melaatsen in de stad. De besturen maken vooral gebruik van de bestaande regels die gericht zijn op de isolatie van leprozen en gebaseerd zijn op de wetten van Mozes uit Leviticus 13.

Na de grote pestplaag ontstaan halverwege de 14 eeuw in Holland de eerste huizen bestemd voor de opvang van melaatsen. Deze 'leprooshuizen' worden ook wel ‘leprozerieën’ of ‘lazarushuizen’ genoemd. De stadsbesturen geven de leprozen een eigen plaats buiten de stadsmuren, maar binnen het rechtsgebied van hun stad, om greep te houden op de leprozen. Buitensluiting wordt meer maatschappelijk gewenst en aanvaard. Er ontstaan ook onderkomens voor leprozen zonder georganiseerde zorg. De meeste Hollandse leprooshuizen ontstaan aan het einde van de 14e eeuw en het begin van de 15e eeuw. Groepsvorming en vervreemding zijn onvermijdelijk het gevolg. Volstrekte afzondering blijkt echter ondoenlijk. De melaatsen blijven mensen aanspreken om aalmoezen te vergaren. Leprozen moeten zich houden aan strenge kledingvoorschriften. Ze moeten een klepper gebruiken om aan te geven dat ze melaats zijn. Een 'Lazarusklepper' bestaat uit drie plankjes die op elkaar slaan en een hard geluid geven.[1]

Twee melaatsen worden belet de stad binnen te komen. De voorste hanteert een klepper om zijn komst aan te kondigen.

In het middeleeuwse Holland hebben naar schatting zo'n twaalf leprozenhuizen onder stedelijk bestuur bestaan, onder meer bij Leiden, Schiedam en Haarlem. Eén zo'n huis heeft bij de stad Gouda gestaan. In 1394 stelt ene Aernd Pic Dyrcxz te Gouda aan het Goudse stadsbestuur een huis met erf ter beschikking voor de opvang van de zieken ‘die beziect sijn mitter lazarijen’. Het huis, dat op een steenworp van de stadsmuur ligt, wordt bestemd tot leprooshuis. De leprozenmeesters, afgevaardigden van het Goudse stadsbestuur, vingen deze zieken daar op, gaven hen een bestaan en organiseerden de leprozenzorg. De zweren en wonden van de melaatsen worden verbonden en verzorgd, hun lichaam wordt schoongehouden, en ze krijgen voedsel en drinken aangeboden. Het leprozenhuis wordt beheerd het college van Heilige Geestmeesters, behorend tot de parochie, dat zich toelegt op de zorg aan armen. In 1408 gaat het beheer over op leproosmeesters, die verantwoording verschuldigd zijn aan het stadsbestuur. De leprozen moeten deelnemen aan het huishouden en agrarische werkzaamheden op het erf verrichten, driemaal daags het Ave Maria opzeggen, elke week deelnemen aan de mis en zich onthouden van geslachtelijke omgang. Ze eten gezamenlijk eenvoudige maaltijden aan een lange tafel bij het haardvuur. Na het slaan van de avondklok moeten ze hun gebeden doen en naar bed gaan. Eén keer per jaar mochten ze op een dag, veertig dagen voor Pasen, binnen de stadsmuren om aalmoezen vragen. Ze hielden dan een bedeloptocht met trommelslag. In 1423 verhuizen de Goudse melaatsen naar een nieuw gebouw bij de Sint Jobskapel buiten de Potterspoort, langs de Kromme Gouwe[1].

In de 16e eeuw begint lepra allengs te verdwijnen uit de Nederlanden.

1586. Prins Maurits van Oranje vaardigt de ‘ordre op ’t schouwen en bedelen der leprosen’ uit, met een kledingvoorschrift voor heel Holland: de leproos moet een vliegermantel en een hoed met witte band dragen.[1]

1652. In Gouda wordt de laatste leproos opgenomen.

1856. Aan de Noorse kust, vooral rondom de stad Bergen, leven zo'n 2800 melaatsen tussen de overige mensen. Om in hun onderhoud te voorzien gaan zij als marskramer langs de deuren en verspreiden daardoor ongeweten de melaatsheid. De regering besluit in te grijpen en de melaatsen af te zonderen en hen onder te brengen in speciale ziekenhuizen. Met geweld worden zij afgezonderd. De isolatie draagt bij aan het terugdringen van de ziekte. Zie 1930.

1930. In Noorwegen zijn, voordat er een geneesmiddel tegen lepra bestaat, nog enkele tientallen patiënten, vooral dankzij hun afzondering.

Meer informatie

C.G. Willis, Melaatsen worden gereinigd. Uitgeverij: Stichting Uit het woord der waarheid, 2018. Pagina's: 72. De geestelijke, typologische lessen van Leviticus 13 en 14.

Zie ook

Lepra | Ziekte en genezing

Bronnen

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Leprosy. Tekst hiervan is vertaald en onder wijziging verwerkt op 6 okt. 2020.

Ben Hobrink, 'Dokters, was u handen!', in: IDDG (In Dienst de Genezing), dec. 2012. IDDG is het tijdschrift van de Christian Medical Fellowship Nederland.

Ben Hobrink, Melaatsheid. Youtube.com: Ben Hobrink, 19 juli 2013. Duur: 4 min 27 sec.

Daan van Leeuwen, 'Leven buiten de stadsmuren. De wijze van functioneren van het goudse leprooshuis in de late middeleeuwen', in: Tidinge van die Goude, aug. 2013(pdf). Beschrijft de geschiedenis van het Goudse leprozenhuis.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 Daan van Leeuwen, 'Leven buiten de stadsmuren. De wijze van functioneren van het goudse leprooshuis in de late middeleeuwen', in: Tidinge van die Goude, aug. 2013(pdf).
  2. 2,0 2,1 2,2 Ben Hobrink, Melaatsheid. Youtube.com: Ben Hobrink, 19 juli 2013. Duur: 4 min 27 sec.
  3. Citaat van Karl Sudhoff, aangehaald in: Ben Hobrink, 'Dokters, was u handen!', in: IDDG (In Dienst de Genezing), dec. 2012. IDDG is het tijdschrift van de Christian Medical Fellowship Nederland.
  4. Citaat van Arturo Castiglioni, aangehaald in: Ben Hobrink, 'Dokters, was u handen!', in: IDDG (In Dienst de Genezing), dec. 2012. IDDG is het tijdschrift van de Christian Medical Fellowship Nederland.
  5. Ben Hobrink, 'Dokters, was u handen!', in: IDDG (In Dienst de Genezing), dec. 2012. IDDG is het tijdschrift van de Christian Medical Fellowship Nederland.
  6. Joodse Oudheden, 3.11.3. Aangehaald in: René van Loon, Levend bewijs! Rotterdam: Opstandingskerk, 7 jan. 2018. Preek naar aanleiding van Leviticus 13: 45-46 en 14: 1-20 en Mattheüs 7:28 - 8:4 (kerntekst: 8: 4)
  7. 7,0 7,1 Citaat van George Rosen, aangehaald in: Ben Hobrink, 'Dokters, was u handen!', in: IDDG (In Dienst de Genezing), dec. 2012. IDDG is het tijdschrift van de Christian Medical Fellowship Nederland.