Nacht

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De nacht is de de tijd dat het donker is.

De oosterse nacht. Zijn bijzondere eigenaardigheid in het Oosten onderscheidt de nacht van die in het Westen,

  • door de grote afkoeling van de temperatuur, zoodat de reizigers overdag veel de hitte en 's nachts veel van de koude hebben te verduren, zowel in de vlakten van Mesopotamië (Gen. 31 : 40) als in de bergstad Jeruzalem (Jer. 36 : 30). Wegens de hevige koude, die bovenal in de heldere maanlichtnachten gevoeld wordt (Ps. 121: 6), draagt men in die streken pelskleren. De sterke afkoeling is echter mede oorzaak van een zeer rijkelijke dauw, die bij het gebrek aan regen alleen de dorre vlakten doet groenen.
  • De helderheid van de lucht bewerkt ook 's nachts een grotere klaarheid dan in Nederland, waarin aan de prachtig blauwe hemel de sterren heerlijk schitteren. Een reiziger zegt: de nacht heeft in Egtypte duizend bekoorlijkheden, die wij in Europa zelden genieten. Hij hult zich nooit in dikke duisternis. Nooit verstoort een loeiende storm zijn rust, de wind gaat doorgaans met zonsondergang liggen, de natuur verzinkt in een ademloze stilte. Dan kan de mens ongestoord over zichzelf peinzen; dan kan de sterrekundige de aanblik van de onbewolkte hemel genieten en de loopbaan van de sterren in de onmetelijke wereldruimte volgen.

Tijdelijk. De nacht in 't algemeen, deze wisseling van licht en duisternis zal eens ophouden (Openb. 21 : 25; 22: 5); hij is slechts voor de tijd van 'de eerste dingen' in zijn onveranderlijke gelijkheid verordend (Gen. 8: 22), als een weldaad voor alle schepselen.

Rust der nacht. De nacht, als de tijd van de duisternis, dient tot rust van de lichamelijke dagelijkse arbeid. Hij is voor de gehele schepping een weldadige afwisseling en vernieuwing van de levenswerkzaamheid (Ps. 104: 19-23). Men ligt en slaapt in vrede (Ps. 4: 9; 3: 6), bewaakt door Israëls hoeder (Ps. 121 : 4).

Nachtelijke onrust. Des te smartelijker is het, wanneer uit- of inwendig lijden deze rust verstoort, zoals Job klaagt (30 : 17), "des nachts doorboort Hij mij beenderen in mij; en in Job 7:3, "nachten der moeite zijn mij voorbereid"; en David in de strijd der boete de „gehele" nacht weent, zodat zijn bed in tranen zwemt (Ps. 6: 7). Zo heeft de woestijn aan de zee, d. i. Babylon, in de liefelijke nacht, door verschrikking geen rust (Jes. 21 : 4), „de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving." En uit Seïr hoort de profeet (v. 11), onder de verschrikkingen van een bange nacht (volgens anderen de hoeder Israels, God) zich toeroepen: "wachter, wat is er van de nacht?" waarop echter geen hulp opdaagt, omdat het slechts in de angst zonder bekering geschiedt. Schrik van de nacht (Ps. 91 : 5 ).

Ps 91:1 Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. (SV)

Ps 91:1 ie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. (HSV)

Geschikte tijd. Maar ook deze nachtelijke onrust moet ten zegen zijn. Dan is het de tijd van ernstige zelfbeproeving (Ps. 16 : 7. Ps. 4 : 5), waar de Heer zelf het hart bezoekt (17 : 3). Want juist deze tijd der uitwendige rust, waarin het gedruis van de buitenwereld verstomt, is zeer geschikt om tot God in te keren (Ps. 119: 55), voor Wiens invloed de mens dan 't meest ontvankelijk wordt. Zo zijn immers de meeste verschijningen van God bij nacht, in de droom geschied (Gen. 15; 12) van Abraham of tot Jozef en de Wijzen (Matth. 1 : 2). In de slaap zag Jakob de hemelladder (Gen. 28); in een nachtelijke worsteling met God verwierf hij zich de naam Israel (Gen. 32: 28). In nachtelijke stilte ontving Salomo van God de afgebeden wijsheid (1 Kon. 3: 5 vv.), Paulus van de engel de aankondiging van zijn redding (Hand. 27 : 23). Van Jezus zelf is meermalen verhaald , dat hij de nachtelijke stilte en eenzaamheid in het gebed doorbracht, vóór de roeping van de discipelen (Luk. 6: 12), na de spijziging van de 5000 (Matth. 14: 23).

Werken van de duisternis. Des te treuriger is het, dat de mens zich ook deze zegen van God tot een vloek maakt. De duisternis wordt gezocht door de zwakheid van een mensen schuwende Nikodemus (Joh. 3), of ook door de boosheid tot zwelging, ontucht en brasserij (Jes. 5: 11; 1 Thess. 5: 7; Rom. 13: 13).

Belangrijke nachten. De belangrijkste nachten in de Schrift zijn:

  • de Paasnacht (Exod. 12 : 12) waarin God door doding van de eerstgeborenen zijn volk uit Egypte verlostte, daarom de feestnacht (Jes. 30 : 29)
  • in het Nieuwe Testament de nacht van Jezus' geboorte (Luk. 2)
  • en de nacht waarin Jezus werd verraden, het avondmaal instelt (Luk. 22 : 19; 1 Kor. 11 : 23), en in Gethsémané streed.

Bijzondere uitdrukkingen. Alles waartoe de nacht werkelijk dient, wordt ook in figuurlijk gebruik van haar gezegd. Hij is de tijd der duisternis, wie daarom "bij nacht wandelt, die stoot zich" (Joh. 11 : 10), want er is geen licht in hem. Wie in het licht van de goddelijke roeping, in de gewisheid van zijn goddelijke zending handelt, gaat vrijmoedig en zeker alle gevaren tegemoet. Wie echter zonder dit licht, dus eigenwillig volgens eigen invallen handelt, die is nooit zeker.

Zoals verder de nacht een tijd van rust is, zo bestaat er ook een nacht die een tijd van gedwongen rust is, "waarin niemand werken kan" (Joh. 9: 4). De dag is de tijd van de genade, die men daarom onafgebroken moet besteden; vandaar dat Jezus, even als zijn Vader, ook op de sabbat genas. Er komt echter een tijd waarin alle werkingen van het heils des Heeren en der zijnen ophouden en als verlamd worden, de antichristelijke nacht. Voor ieder mens in 't bijzonder komt zulk een tijd, waarin zijn werken ophoudt, in elk geval met de dood. Voor Jezus kwam hij met die nacht, waarin hij moest zeggen: „dit is uw uur en de macht van de duisternis" (Luk. 22 : 53). Dus is ook het grote werk van Jezus, de wereld te verlichten, door God aan zekere tijden verbonden, die Hij en de zijnen moeten waarnemen.

De nacht is voorbijgaande, en de dag is nabijgekomen (Rom. 13 : 12), d. i. de tijd der vóórchristelijke duisternis en blindheid is reeds voor een goed deel geweken en de dag van de volkomen verlichting aangebroken (1 Thes. 5: 5). Wij staan in geen gemeenschap meer met de door ongeloof verduisterde wereld en de werken van de duisternis: slaap, d.i. geestelijke onverschilligheid en dronkenschap, d.i. bedwelming van allerlei aard.

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Nacht. De tekst van dit lemma is op 28 jan. 2017 verwerkt.