Nehemia (persoon)

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nehemia als schenker aan het Perzische hof

Nehemia was als landvoogd een belangrijke hersteller van de Joodse natie na de terugkeer uit Babylon. Hij is de schrijver (of mede-schrijver) van het bijbelboek Nehemia dat zijn naam draagt.

Nehemia was de zoon van Hachalja (Neh. 1:1, 10). Hij stamde zonder twijfel van een voornaam geslacht uit Jeruzalem af (Neh. 2:3). Een van zijn broers heette Hanani (Neh. 1:2).

Hij bekleedde reeds op jeugdige leeftijd het aanzienlijk ambt van een schenker (Neh. 1:11) aan het hof van koning Arthasasta. Bij deze vorst en zijn gemalin (Neh. 2:3) stond hij in hoge gunst, gelijk andere tot zulke diensten gebruikte Joden (Dan. 1: 3).

Hij was landvoogd (Neh. 12:26) en droeg in Jeruzalem als gevolmachtigde de titel van Hattirsatha, zie hieronder.

Toestand van Jeruzalem

De tempelbouw in Jeruzalem was onder Ezra voltooid, ook enkele, ten dele aanzienlijke huizen (Hag. 1: 4, 9) waren gebouwd, maar de vroegere koningsstad was toch niet niet veel meer dan een dorp; de woningen stonden (Neh. 7: 4) slechts hier en daar afzonderlijk als hutten.

Sedert meer dan 60 jaren was onder het beheer van slechte, baatzuchtige stadhouders (Neh. 5: 15) voor het herstel van de stad als zodanig niets gedaan. Alles had het uiterlijk van een ongeordende, als 't ware voorlopige toestand. Het ontbrak aan een geregeld bouwplan (Dan. 9: 25), aan een toereikend getal van inwoners, bovenal lagen echter de muren nog evenzo verwoest als na de verovering, onordelijke, alle toegangen verstoppende hopen puin (Neh. 2: 14).

Nehemia vernam van ellendige toestand van Jeruzalem en van de Joden daar:

Ne 1:3 En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. (SV)

Zo was de kleine kolonie van de teruggekeerden aan alle overmoed en vijandigheid van de rondom wonende heidenen prijsgegeven. Zowel hun uitwendig welvaren als hun nationale afzondering waren eerst dan verzekerd, wanneer de muren van Jeruzalem weer opgebouwd zouden worden en de stad weer een vast middelpunt voor de natie, het heiligdom in haar midden tegen alle aanvallen van de vijanden beschermd zou zijn.

Naar Jeruzalen

Tegenover de koning Arthasasta sprak de schenker Nehemia treurig van 'de stad der begravenissen van mijn vaderen', die woest was en waarvan de poorten met vuur verteerd waren (Neh. 2:3, 5). Met hartelijke, innige deelneming bewogen over de armoedige toestand van de stad Jeruzalem, die zo weinig met de inhoud van de heerlijke messiaanse profetieën overeenstemde, verzocht hij naar Jeruzalem te mogen gaan. Hij beloofde na zekere tijd weer terug te keren naar Susan (Neh. 2:6).

Nehemia gaf zijn ambt van schenker op, maar de Perzische koning stelde hem tot landvoogd (gouverneur) in het land van Juda aan. Na 12 jaar, terugziend op zijn periode van gouverneurschap, schrijft hij:

Ne 5:14 Overigens, vanaf de dag waarop [de koning]] mij de opdracht heeft gegeven om landvoogd te zijn in het land Juda, vanaf het twintigste jaar tot het tweeëndertigste jaar van koning Arthahsasta, twaalf jaar, hebben ik en mijn broers het brood, [bestemd] voor de landvoogd, niet gegeten. (HSV)

Hij offerde zijn voordelig ambt aan het hof op en ondernam niet slechts de moeilijke reis naar Jeruzalem, maar onderwierp zich ook aan alle moeiten, ontberingen, bezwaren, die zijn arbeid aldaar na zich sleepte, uit aanhankelijkheid aan zijn volk (Neh. 2: 10) en met het oog op de goddelijke beloften (Neh. 1: 9).

Ezra, die 13 jaar vóór Nehemia naar Jeruzalem was gekomen, had wel vele kolonisten meegebracht en zich door het herstel van de zedelijke orde verdienstelijk gemaakt, maar de uitwendige toestand was in het wezen van de zaak dezelfde gebleven; de maatregelen zelfs, door Ezra genomen ten opzichte van de heidense vrouwen, wekten de verbittering op de rondom wonende volkeren en deden de behoefte aan bevestiging nog sterker voelen.

In het twintigste jaar van koning Arthasasta (= Artaxerses) (Neh. 2: 1), dus omtrent het jaar 453 voor Chr., kwam Nehemia nog zeer jong naar Jeruzalem. Hij had, als Zerubbabel (Ezra 2: 63), de titel van Hathirsatha = gestreng heer, hetgeen een buitengewoon gevolmachtigde van de koning schijnt te betekenen; hij noemt zich echter ook, gelijk de gewone stadhouders, Pechah = landvoogd (Neh. 5: 14 v.).

Ne 8:9 En Nehemia (dezelve is Hattirsatha) ... (SV)

De Herziene Statenvertaling vertaalt 'Excellentie'.

Ne 8:9 (8-10) En Nehemia (hij was [Zijne] Excellentie[, de stadhouder]), ... (HSV).

Tocht van Nehemia, van Susan (op de kaart Susa) naar Jeruzalem.
Juda ten tijde van Nehemia

Herstelwerk

Nehemia beziet de ruïnes van Jeruzalem

Nadat hij de toestand van Jeruzalem bezien had, sprak hij tot de Joodse overheden:

Ne 2:17 Toen zei ik tegen hen: U ziet de ellende waarin wij verkeren, dat Jeruzalem verwoest ligt, en zijn poorten met vuur verbrand zijn. Kom, laten we de muur van Jeruzalem opbouwen, zodat wij niet langer [een voorwerp van] smaad zijn. (HSV)

Met vroom vertrouwen begon hij 't eerst, ondanks de spot en de bedreigingen van overmoedige tegenstanders, aan het werk van het herstel der muren.

Waarom zocht Nehemia, die toch in hoge gunst bij de koning stond, geen hulp bij het hof tegen deze geweldenaars? Verschillende redenen kunnen hier voor worden opgegeven; bijv. de tijd, die bij de verre afstand moest verloren gaan; de hoofdreden was echter zonder twijfel deze, dat Nehemia bij alle hartelijke aanhankelijkheid aan de koning zijn vertrouwen niet op mensen, maar op God stelde en liever Gode, dan de koning zijn nood klaagde.

De muren werden door de onvermoeide ijver van het volk en onder Gods zichtbare bescherming in zeer korte tijd voltooid werden (Neh. 3: 4).

Herstelwerk van Jeruzalem.

Terwijl hij de eigenbaat van woekerachtige groten en rijken door de invloed van zijn persoonlijkheid en het voorbeeld van zijn onbaatzuchtigheid breidelde, hielp hij de armen in de nood en de duurte (Neh. 5). Met onverschrokken moed zowel als wijze voorzichtigheid wist hij de listige aanslagen van de vijanden te verijdelen (Neh. 6).

Om de gehele opbouw van de stad te voltooien en de inwoners te ordenen, waartoe hij een vergadering van het volk en van de staten beriep, was hem een opgave van de eerste, met Zerubbabel naar Jeruzalem opgetrokken kolonisten, die hij daar vond, zeer bevorderlijk (Neh. 7). Nadat deze uitwendige aangelegenheden geregeld waren, werd het loofhuttenfeest met een nieuw opgewekt nationaal gevoel feestelijker dan sedert vele eeuwen gevierd (Neh. 8). Door de de voorlezing van Schrift werd de boetvaardige gezindheid opgewekt, die zich in openbare belijdenis en boetgebed uitsprak en een vernieuwing van het Verbond tot gevolg had (Neh. 9: 10).

Terugkeer

Na vanaf 445 de joden 12 jaren als landvoogd te hebben bestuurd en zijn verloftijd verstreken was (Neh. 2: 6), keerde Nehemia in 433 naar het hof te Susan terug.

Zijn verordeningen ten behoeve van de aanvulling van de bevolking der stad werden ten dele nog onder zijn opvolger in het ambt uitgevoerd.

Waarschijnlijk trad gedurende deze tijd (wellicht ook eerst na Nehemia's dood) de laatste profeet, Maleachi op; maar ook vele misbruiken en ongeregeldheden slopen weer binnen, arbeid en handelsverkeer op de Sabbat, verbintenissen van aanzienlijke mannen, zelfs van het hogepriesterlijk geslacht, met buitenlandse vrouwen; verwaarlozing van de wettige verordening aangaande de inkomsten van de Levieten; inzonderheid was het de goddelozen Tobias gelukt, zich meer en meer te Jeruzalem, zelfs in de tempel te nestelen.

Aan al deze onordelijkheden maakte Nehemia, toen hij na een lange afwezigheid (Neh. 13: 6), in hoge ouderdom, waarschijnlijk eerst omtrent 415 onder Darius II (koning 423-404 v.C.) voor de tweede keer naar Jeruzalem kwam[1], door zijn moed en zijn persoonlijk en ambtelijk aanzien een einde (Neh. 13).

Van Nehemia's dood is niets bericht.

Zijn persoon en betekenis

Nehemia was voor het beter deel van zijn volk, inzonderheid in de moeilijke tijd, wat zijn naam betekent „een vertrooster des Heeren". Tegenover de goddelozen en bovenal de toen reeds ontwakende hiërarchische en aristocratische geest van de rijken en priesters trad hij met onverbiddelijke gestrengheid op. Van nature voortvarend, hartstochtelijk, was hij toch omzichtig en overleggend, standvastig, kloek, zonder vrees en zeer getrouw. De heilige ijver, waarin hij meermalen Gods oordelen inroept over de boosaardige vijanden van zijn rijkszaak, is voorzeker meer door de geest van het Oude, dan door die van het Nieuwe Verbond ingegeven (Luk. 9: 55) — hoewel ook in het Nieuwe Testament dergelijke uitspraken voorkomen (2 Tim. 4: 14) — maar mag in elk geval niet als uiting van persoonlijke wraakgierigheid worden opgevat. Evenmin is de dikwijls herhaalde bede: „gedenk mijner, mijn God! ten goede, alles wat ik aan dit volk gedaan heb" (Neh. 5 : 19; 13: 31 enz.) zó te verstaan, alsof Nehemia zich in vleselijke loonzucht een verdienste uit zijn werk zou gemaakt hebben, maar evenals het van Mozes beet: „hij zag (in het geloof) op de beloning" (Hebr. 11 : 20); hij versterkte zich in zijn zwakheid en onder de grote noden, waarmee hij te strijden had, door de hoop op het beloofde loon der genade.

Het is bovenal zeer opmerkenswaardig, dat door zijn zeer ingespannen, op uitwendige toestanden gerichte werkzaamheid zijn inwendig geloofsleven niet verstoord is geworden, maar dat hij veel meer door de grote moeilijkheden, die zijn arbeid in de weg traden, steeds opnieuw daartoe geleid werd, alles met God te beginnen en te volbrengen. Hij kon dagen lang vasten en bidden (Neh. 1: 4), maar ook te midden van zijn arbeid (Neh. 1: 4), en onder een gesprek (Neh. 2: 4) zich door een stille verzuchting tot zijn God versterken. Hij is, als Daniël, een voorbeeld voor aanzienlijken, rijken en staatslieden.

Nehemia's werkzaamheid voor het uiterlijk welzijn van het volks werd aangevuld door die van Ezra, die het godsdienstig en zedelijk leven trachtte te hervormen; godsdienst en landsbestuur werkten zo vriendschappelijk samen. Minder groots dan het broederpaar (Mozes en Aäron), waarmee de geschiedenis van het uitverkoren volk begint, staan deze twee broeders-in-de-geest toch ook als een schitterend tweegesternte aan het slot van de geschiedenis van het Oude Verbond.

Eerst na hun dood komt de gehele betekenis van het hervormingswerk aan het licht, toen het kleine, weerloze, door allerlei ongeregeldheden verdeelde hoopje, dat zij vonden, zich in weinige eeuwen tot een volk ontwikkelde, dat in staat was aan de machtigste wereldrijken het hoofd te bieden en dat zijn vrijheid en zelfstandigheid pas weer verloor, toen het was afgeweken van het fundament van Gods wet, waarop deze twee mannen het opnieuw hadden gebouwd.

Niet minder van betekenis is volgens een joodse overlevering (2 Makk. 2: 13) zijn verdienste ten opzichte van de verzameling van de Bijbelboeken - hetgeen anders inzonderheid aan zijn tijdgenoot Ezra wordt toegeschreven.

De profetie van Daniel van de 70 jaarweken tot de komst van den Messias, waarvoor een tot zijn ontvangst bereide hoofdstad voorondersteld wordt, neemt haar punt van uitgang van het herstel van de straten en pleinen der stad (Dan. 9: 25). Het eerste deel van deze profetie, de nieuwe stichting van de stad in de kommervolle tijd van de eerste 7 jaarweken, dus onder vele moeilijkheden en aanvechtingen, werd hoofdzakelijk door Nehemia's werkzaamheid vervuld. Door de kracht van zijn persoonlijkheid en zijn verlichte vroomheid had Nehemia de grond had gelegd tot de wonderbare opkomst van de joodse staat in de 62 jaarweken, die op de kommervolle tijd volgden.

Meer weten

Over het boek Nehemia, zie Nehemia (bijbelboek)

Over de geschiedkundige achtergrond van Nehemia, zie Tijdrekenkunde van Ezra en Nehemia.

Bronnen

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Nehemia. Hieruit is op 8 april 2016 tekst genomen en verwerkt.

C. Lindeboom, Bijbelgids, of Handleiding tot het verkrijgen van Bijbelkennis (Middelburg: Stichting de Gihonbron, 2009; bewerking door J. Pluimers van de uitgave uit 1929), blz. 39-40. Hieruit is, onder toestemming, op 14 okt. 2016 tekst gebruikt.

Voetnoot

  1. Echter, C. Lindeboom, Bijbelgids, of Handleiding tot het verkrijgen van Bijbelkennis (Middelburg: Stichting de Gihonbron, 2009; bewerking door J. Pluimers van de uitgave uit 1929), blz. 40, schrijft dat Nehemia in 433 naar Artaxerxes (465 – 424) terugkeerde, die hem met een nieuwe zending naar Jeruzalem belastte, zodat hij toen voor de tweede keer de joden regeerde.