Olijfboom

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De olijfboom is een boom waaraan olijven groeien. De boom is een van de voornaamste voortbrengselen van het land Israël. De olijf, de vrucht van de olijfboom, levert de olijfolie op. De olijfboom is in de Heilige Schrift een zinnebeeld van het volk Israël, de olijfolie een zinnebeeld van de Heilige Geest.

Tak, bladeren, bloesem en vruchten van de olijfboom (Lat. Olea europaea).

Woord. Het Hebreeuwse woord in het Oude Testament is sajit = het heldere, schitterende of fris groenende. De Latijnse naam in de plantkunde is Olea europaea.

Nuttig. Deze hoogst nuttige boom dingt met de wijnstok en de vijg om de voorrang.

Kenmerken. In wilde toestand is hij meer een struik, maar aangekweekt wordt het een boom van 12 meter hoog, met een grauwe bast, met altijd groene, van onderen zilverkleurige bladeren, en witachtige, kleine, onaanzienlijke bloesems, waaruit zich de vruchten, de olijven, ontwikkelen

Met de boom wordt het volk van God in de vorige tijd (Jer. 11: 16), en in de toekomst (Hos. 14:7) vergeleken. Met de altijd groene olijftakken worden vrome kinderen, een kostelijke gave van God, vergeleken (Ps. 128: 3).

Olea europaea (olives on tree), Skala Kalloni, Lesbos, Greece.jpg

Met de afvallende bloesems wordt het bedriegelijk geluk van de goddelozen vergeleken (Job 15: 33), en met een paar olijfvruchten, die na de oogst nog in de top van de boom gebleven zijn, Jakobs voorbijgegane heerlijkheid (Jes. 17 : 5 v.; 24 : 13).

Olijf. De rijpe olijven zijn zwart gekleurd en hebben ongeveer de grootte van een kers. Het vlees van de vrucht is groenachtig wit en bitter. Deze vrucht levert de voortreffelijke olijfolie. Zij is tevens een belangrijke bron van rijkdom voor de landen die aan de Middellandse zee zijn gelegen.

De wilde olijfboom (oleaster, door Luther in Neh. 8: 15 met balsemstruik vertaald) met zijne doornachtige takken, geeft wel tienmaal minder olie, maar moet zoeter zijn van smaak.

Hout.  Ook het hout, met bonte kleuren, voor de meest fine politoer geschikt, is een van mooiste houtsoorten. Uit het hout van de olijfboom waren de twee cherubijnen, de deuren van het Allerheiligste, alsook de zuilen aan de ingang van de tempel gemaakt (1 Kon. 6: 23, 31, 33). De om haar olie geprezen vrucht van de boom (Richt. 9: 9), was een belangrijk deel van de oogst van het beloofde land.

Ouderdom. De boom kan eeuwen oud worden. Sommigen menen ongeveer 2000 jaren. Misschien zijn de olijfbomen in de hof Gethsémané nog uit de tijd van Jezus.

De hoge ouderdom, welke deze edele boom bereikt met zijn zich steeds vernieuwende wortels maakt hem tot een passend beeld van het geluk der vromen (Ps. 52: 10).

Zeer oude Olijfbomen in de hof van Gethsémané, Jeruzalem.

Verspreiding. De olijfboom is vanuit Armenië in het heilige land gekomen, en van hier uit naar Griekenland, Italië, Zuid-Frankrijk, Noord-Amerika en andere werelddelen overgeplant en met gehele bossen gebouwd geworden.

Oogst. De olijvenoogst vond in de tijd van de Bijbel plaats in de maanden oktober en november. De olijven werden geoogst door aan de boom te schudden of door met een stok tegen de takken te slaan. De olijven vielen dan op de grond, waarna ze in manden werden verzameld.

Onze barmhartige God bepaalde dat de olijven die daarna nog in de bomen hangen, bestemd zijn voor de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, Deut. 24:20.

Noachs duif met het olijfblad. Wat beeldde de duif met het olijfblad in zijn bek af? Een verklaring geeft Heim: "De duif met het olijfblad (Gen. 8: 12) is een liefelijk voorbeeld van de boodschap van de komende verlossing uit de nood der zonde, welke boodschap ons de Heilige Geest brengt door het Evangelie. Evenals de olijfboom en zijn vrucht het middel is ter verfrissing van het leven van het lichaam en van de ziel; zo doet de Heilige Geest datzelfde aan onze matte, gestorvene harten, wanneer hij van de inwendige bevrijding door de vrede van God ons vergewist. Zo was dan ook de duif met het olijvenblad voor Noach, die de spraak der natuur en de tekenen van God goed begreep, niet alleen een bewijs, dat de olijfbomen weer uitbotten, maar tegelijk een goddelijke vredebode"[1].  

Ingeënt op de edele olijfboom van Israël. De Christusgelovige heidenen zijn geënt op de edele olijfboom die wellicht het verbond met Israël voorstelt, Rom. 11. Sommigen menen naar Rom. 11: 17 vv. dat de inenting van wilde olijftakken in de stam van een edele olijf plaats vond, om de oude gebrekkige stam daarmee te vernieuwen. Maar dit laat zich betwijfelen. Paulus wil in deze plaats het tegendeel zeggen, dat de tak van de wilde olijfboom (de heidenen) door het sap van de edelen boom (Israel) veredeld wordt.  

De twee olijfbomen. De olijfbomen ter zijde van het lam en in het gezicht van Zacharia, beelden de twee getuigen af. Volgens Zeller[2] ontvangt door hun dienst de gemeente van God de olie van de Heilige Geest (Zach. 4: 3 11, 12, vgl. Openb. 11:4).  

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Olijfboom. De tekst van dit lemma is op 21 juli 2016 verwerkt.

www.DeBijbel.nu, onderwerp Olijfolie (productie). Geraadpleegd 21 juli 2016.

Voetnoten

  1. Aangehaald in H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Olijfboom. De spelling van het citaat is gemoderniseerd.
  2. H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Olijfboom.