Ongeloof

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ongeloof is niet geloven aan of in iets of iemand.

De Heilige Schrift beschrijft het wezen van het ongeloof ten aanzien van God als een zich verwijderen van de levende God, die zijn naam diep in de ziel van ieder mens geschreven heeft (Hebr. 3 : 12), als een spreken van de dwazen in hun harten: „er is een God" (Ps. 14: 1), als een terugstoten van de waarheid en een geloven van de leugen (vgl. 2 Thess. 2: 12). In het bijzonder wordt van de ongelovigen gezegd, dat zij zich stoten en ergeren aan de rots van het heil, aan Jezus Christus en aan zijn woord, terwijl zij die beiden verwerpen (1 Petr. 2 : 7 8).

Vormen. De vormen waarin het ongeloof zich openbaart zijn zeer verschillend: vanaf het standpunt, dat men zich God anders denkt dan Hij zich in Zijn woord heeft geopenbaard, als een God zonder gerechtigheid en zonder liefde, tot aan de besliste vijandschap van het hart, zich openbarend in de woorden: "ga weg van ons, wij willen van uw woorden niets weten; wie is de almachtige dat wij Hem zouden dienen? Of wat baat het ons indien wij Hem aanroepen? (Job 21: 14, 15).

Oorsprong. Soms ontspringt het ongeloof uit het verstand. Men wil in alles tot op de diepste grond doordringen en alle moeilijkheden zien opgelost, men wenst van harte dat dit of dat feit waar is, maar men laat zich door een te ver gedreven wantrouwen weerhouden om het aan te nemen. Zo was het bij Thomas (Joh. 20: 25).

Meestal heeft het ongeloof echter zijn zetel in de wil, zolang deze nog door een of andere lievelingszonde geboeid is, en de mens anders leeft en gezind is dan God verlangt. Men voelt wat de omhelzing van Evangelie met zich brengt, dat het lust van de zondige natuur in het vlees en in de ogen, alsmede het hovaardig leven een dodelijke stoot toebrengt. Hiertoe spreekt het bedorven hart met beslistheid "neen!", en nu zoekt men scherpzinnig naar allerlei uitvluchten, om van een zo gehate leer los te komen, terwijl men zichzelf wijs maakt, dat men zich door de meest oprechte waarheidszin laat leiden. Tot deze klasse van ongelovigen behoorden de Farizeeën en Schriftgeleerden.

Wanneer nu Jezus van het ongeloof van hen spreekt die hem verwerpen, zegt hij: „de mensen hadden de duisternis liever dan het licht, want hun werken waren boos" (Joh. 3: 19), Uit bet hart komen voort kwade gedachten enz. (Matth. 15: 19).

Als de Bijbel van de duisternis spreekt, die op de heidenen lag, dan leidt het de onwetendheid af van de verkeerdheid van het hart, het spreekt van de duisternis van zulke mensen, die in hen is door de verharding van hun hart (Ef. 4 : 18). "De mensen zijn reeds twijfelaars in hun hart en verheugen zich nu, dat de zogenaamde grote geesten argumenten bijbrengen, waardoor zij menen zich te kunnen rechtvaardigen. Alle harten zouden de godsdienst toevallen indien slechts niet de voorwaarden moesten vervuld worden, maar daar zit de knoop. Deze voorwaarden zijn met onze neigingen in strijd en omdat zij met die neigingen in strijd zijn, wordt de twijfel geboren." (Isaac Jaquelot, 1647-1708, predikant).

Het ongeloof kan zich over gehele volkeren en streken uitbreiden en zowel het licht van het geweten als de zon der openbaring pogen te verduisteren. Men twijfelt, ontkent, bestrijdt nu eens de feiten van het godsdienstig geweten, dan weer de waarheden en wonderen der goddelijke openbaring.

Het ongeloof sleept tijdelijke en eeuwige straffen na zich (Hebr. 4: 11; 11: 31; Ef. 5: 6; Mark. 16: 16.; Openb. 21: 8; Joh. 8: 24; Hand. 7: 51; Jes. 4: 22).

Hulpmiddelen tegen het ongeloof

Hulpmiddelen tegen het ongeloof zijn:

  • ernstige herinnering aan de doop
  • biddend lezen, horen en onderzoeken van het goddelijk woord, de Bijbel
  • innige gebedsomgang met God,
  • vermijding van lichtzinnige mensen en ongelovige boeken,
  • gemeenschap met ware gelovigen.

'Hoofdzonde'

Het ongeloof is volgens sommigen[1] het oorspronkelijk boze, het middelpunt en de bron van alle overige zonden, de nieuwtestamentische oorzaak van de verdoemenis (Joh. 16 : 9). Alle andere zonden trekken zich ten laatste samen in deze hoofdzonde, waardoor men God en Christus de eer ontrooft en aan de Geest van Gods de toegang tot het hart verhindert.

Zie ook

Ongelovige

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Ongeloof. De tekst van dit lemma is op 3 dec. 2018 onder wijziging verwerkt.

Voetnoot

  1. Zo H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Ongeloof.