Openbaring van Johannes/Hoofdstuk 13

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 13 van het Bijbelboek Openbaring van Johannes wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Dit hoofdstuk beschrijft de twee beesten: dat uit de zee en dat uit de aarde. Uit de zee, aan welks zandoever de draak staat (Opb. 12:18), stijgt een 10-hoornig en 7-koppig beest op. De draak geeft hem zijn macht en wereldwijd gezag. Een van de koppen raakt dodelijk gewond maar het beest herstelt wonderbaarlijk. Draak en beest ontvangen aanbidding. Het beest lastert God en de hemelbewoners. Hij kan 3,5 jaar handelen. Hij voert oorlog voeren tegen de heiligen en overwint. Bemoediging voor de vervolgde heiligen.

Een ander beest stijgt op uit de aarde. Het maakt dat het beest uit de zee en zijn beeld aanbeden worden. Het doet grote tekenen in tegenwoordigheid van het beest uit de aarde. Het laat een beeld maken en geeft daaraan adem en spraak. Het laat allen die weigeren het beeld te aanbidden doden. Ook geeft het alle mensen een merkteken.

Aanwijzing voor de heiligen aangaande het getal van het beest.

Hieronder worden passages uit Hoofdstuk 13 van het bijbelboek Openbaring van Johannes becommentarieerd.

Opb. 13:1. Een beest stijgt op uit de zee. Zijn horens en koppen.

Opb 13:1 En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering. (TELOS)

Johannes beschrijft eerst de horens en de koppen, en daarna (vers 2) de gedaante van het beest.

Uit de zee. De zee is een zinnebeeld van de woelige volkerenmassa.

Tien horens. Deze stellen tien koningen voor. Johannes ziet later een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat tien horens had.

Opb 17:3 En hij voerde mij weg in de geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was en zeven koppen en tien horens had. (TELOS)

De tien horens stellen tien koningen voor.

Opb 17:12 En de tien horens die u hebt gezien, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben, maar een uur gezag als koningen ontvangen met het beest. (TELOS)

Vergelijk:

Da 7:24 En de tien horens duiden aan dat uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan, en na hen zal een ander opstaan. Die zal verschillen van die er eerder geweest waren. Drie koningen zal hij vernederen. (HSV)

Zie Beest uit de zee.

Zeven koppen. Deze hebben een tweevoudige betekenis: zeven bergen en zeven koningen. Johannes ziet later een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat zeven koppen had.

Opb 17:3 En hij voerde mij weg in de geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was en zeven koppen en tien horens had. (TELOS) Een engel verklaart de betekenis van de zeven koppen: Opb 17:9 Hier is het verstand dat wijsheid heeft: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit. Opb 17:10 Ook zijn het zeven koningen: vijf zijn gevallen, de ene is er, de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij een korte tijd blijven. (TELOS) De zevende koning, die nog niet is gekomen, zal een korte tijd blijven, 17:10. Het beest is zelf de achtste koning, 17:11. Het is uit de zeven koningen. Op zijn horens tien diademen. Een diadeem is een teken van koninklijke waardigheid. Ook de draak heeft draagt diademen: zijn zeven koppen dragen diademen:

Opb 12:3 En er werd een ander teken gezien in de hemel; en zie, een grote, vuurrode draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen. (TELOS)

De tien horens stellen ook koningen voor.

Op zijn koppen namen van lastering. Lasteren kenmerkt het Beest. Het is een voornaam kenmerk.

Opb 17:3 En hij voerde mij weg in de geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was en zeven koppen en tien horens had. (TELOS)

Wie of wat lastert hij? Het antwoord vinden wij enkele verzen later: hij lastert de naam van God, Zijn tabernakel en hen die in de hemel wonen.

Opb 13:5 En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeenveertig maanden. Opb 13:6 En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tabernakel en hen die in de hemel wonen. (TELOS)

Opb. 13:2. Zijn gedaante en macht

Opb 13:2 En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag. (TELOS)

Na de horens en koppen te hebben beschreven, beschrijft Johannes nu de gedaante van het beest. Als het beest uit de zee opstijgt, worden eerst de horens en koppen gezien, daarna het hele lichaam.

Het beest verenigt eigenschappen van verschillende roofdieren. Ook de draak is een roofdier, zoals blijkt uit hoofdstuk 12, waar dit dier het mannelijke kind wil verslinden.

De draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag. De duivel heeft macht, een troon en groot gezag in de gevallen mensenwereld. Achter de schermen. Hij is de overste van deze wereld. Wat hem niet lukte, toen hij Jezus Christus in de woestijn verzocht verzocht, kan hij wel bij het beest doen.

Mt 4:8 Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid Mt 4:9 en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt. Mt 4:10 Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven’: De Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’. Mt 4:11 Toen verliet de duivel Hem; en zie, engelen kwamen bij Hem en dienden Hem. (TELOS)

Het is alsof de duivel, die op de aarde is geworpen (hoofdstuk 12) en ten verderve gaat, alles geeft aan een mens en zijn rijk om de mensheid te misleiden en te verderven.

Zijn gezagsgebied breidt zich wereldwijd uit.

Opb 13:7 En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie. (TELOS)

Later zullen de tien koningen, voorgesteld door de tien horens, hun macht en gezag aan het beest geven.

Opb 17:13 Dezen hebben enerlei bedoeling en geven hun macht en gezag aan het beest. (TELOS)

Opb. 13:3. Dodelijke wond

Opb 13:3 En ik zag een van zijn koppen als tot de dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna. (TELOS)

De zeven koppen symboliseren zeven koningen (vers 1). Een van de zeven koningen raakt dodelijk gewond en sterft. Even later wordt hij weer levend. Dit wekt zeer grote verbazing en ... aanhang voor het beest.

Opb. 13:4. Aanbidding van de draak en het beest

Opb 13:4 En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren? (TELOS)

Zij aanbaden de draak. Gaven hem goddelijke eer. Duivelsaanbidding. Welke voorstelling men dan van de duivel zal hebben? In elk geval ziet God hem als een gruwelijk monster, een draak.

Gezag aan het beest had gegeven. Zie vers 2.

Aanbaden het beest. De verbazing om het beest, om de genezing en herrijzenis van een van de dodelijk gewonde koppen (vers 3), loopt uit op aanbidding van het beest. Allen die op de aarde wonen zullen hem aanbidden (Opb. 13:8, 12), behalve de heiligen (Opb. 13:7-8).

Opb 13:8 En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, ieder wiens naam, van de grondlegging van de wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam dat geslacht is. (TELOS)

Aanbidding van het Beest uit de zee wordt (later?) bewerkt door het Beest uit de aarde, een valse profeet.

Opb 13:12 En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was. (TELOS)

Wie kan er oorlog tegen voeren? Het beest zal later oorlog voeren tegen de heiligen en tegen de Heer Jezus.

Opb 13:7 En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie. (TELOS)

De tien horens (koningen) zullen later oorlog voeren tegen het Lam, 17:14.

Opb 17:14 Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen - want Hij is Heer van de heren en Koning van de koningen - en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen. (TELOS)

Opb 19:19 En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem die op het paard zat en tegen zijn leger. (TELOS)

Opb. 13:5-6. Zijn mond en toegemeten tijd.

Opb 13:5 En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeenveertig maanden. Opb 13:6 En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tabernakel en hen die in de hemel wonen. (TELOS)

Die grote dingen ... sprak. Dat is grootspraak.

Tweeënveertig maanden. 42 maanden = 3,5 jaar. Dezelfde tijdruimte wordt aangeduid door in het boek Openbaring "twaalfhonderdzestig dagen" (11:3, 12:6) en "een tijd en tijden en een halve tijd" (Opb. 12:14). Zie Openbaring van Johannes/Onderwerpen.

Zijn tabernakel. Gods hemelse tabernakel, waarvan de vroegere aardse tabernakel een zinnebeeld was.

Hen die in de hemel wonen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen hen die in de hemel wonen en hen die op de aarde wonen, zie Openbaring van Johannes/Onderwerpen.

Opb. 13:7. Zijn overwinning en gezag.

Opb 13:7 En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie. (TELOS)

Oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen.

Vergelijk wat gezegd wordt van de elfde koning die Daniël zag:

Da 7:25 Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd. (HSV)

Niemand is in staat oorlog te voeren tegen het beest, omdat het oppermachtig is.

Opb 13:4 En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren? (TELOS) 

Maar zelf voert het wel oorlog.

God bemoedigt de lijdende heiligen met de belofte van wedervergelding aan hun vijanden.

Opb 13:10 Als iemand in gevangenschap leidt, dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met het zwaard zal doden, dan moet hij met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen. (TELOS)

Hun nederlaag is in Gods ogen een overwinning, daar zij volhard hebben in hun geloof in de Heer Jezus en hun weigering om het beest en zijn beeld te aanbidden en het merkteken van het beest te ontvangen.

Opb 15:2 En ik zag als een glazen zee met vuur gemengd, en hen die de overwinning behaald hadden over het beest en over zijn beeld en over het getal van zijn naam, op de glazen zee staan met harpen van God. (TELOS)

Gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie. Dat is een wereldwijd gezag. De draak had hem immers al zijn macht en gezag overgedragen.

Opb 13:2 En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag. (TELOS)

Opb. 13:8. Aanbidding van het beest

Opb 13:8 En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, ieder wiens naam, van de grondlegging van de wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam dat geslacht is. (TELOS)

Allen die op de aarde wonen. Het beest heeft wereldwijd gezag (13:7) en ontvangt wereldwijd aanbidding. Zij aanbidden hem om zijn wonderbaarlijk herstel en om zijn macht. Later zien wij dat het beest uit de aarde de mensen ertoe brengt het beest uit de zee te aan bidden:

Opb 13:12 En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was. (TELOS)

Opb. 13:9. Vermaning.

Opb 13:9 Als iemand een oor heeft, laat hij horen. (TELOS)

De beschrijving van het beest, dat de heiligen op aarde zal overwinnen, eindigt met een woord van vermaning en bemoediging.

Opb. 13:10. Bemoediging

Opb 13:10 Als iemand in gevangenschap leidt, dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met het zwaard zal doden, dan moet hij met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen. (TELOS)

De heiligen zullen door het beest worden overwonnen. Van hen worden er in de gevangenis geworpen, en anderen worden met het zwaard gedood.

Gevangenschap. Wellicht ziet ook de volgende passage op de gevangenschap van de heiligen: Na zijn terugkomst zegt de Heer Jezus tot de 'schapen' ('rechtvaardigen', Matth. 25:46):

Mt 25:36 naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen. (...) Mt 25:39 En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en zijn bij U gekomen? Mt 25:40 En de koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van mij, hebt u het Mij gedaan. (TELOS)

De heiligen zullen behalve gevangenschap wellicht ook lijden als gevolg van de economische beperkingen, omdat zij zonder merkteken van het beest niet kunnen kopen of verkopen.

Dan gaat hij ... dan moet hij. De daders, die in gevangenschap leiden of met het zwaard doden, wacht hetzelfde lot; ze zullen met gelijke munt worden vergolden. Want Gods strafrecht is gegrond op het beginsel van wedervergelding. Wie geweld zaait, zal geweld oogsten. Door het geloof aan Gods gerechtigheid kunnen de martelaren volharden en hun lot lijdzaam ondergaan.

Toen Petrus zag dat zijn Heer opgepakt dreigde te worden, trok hij een zwaard en sloeg ermee.

Mt 26:52 Toen zei Jezus tot hem: Steek je zwaard weer op zijn plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen. (TELOS)

Hier is de volharding en het geloof van de heiligen. Zij zullen God trouw blijven en aanbidding van het beest weigeren.

Opb. 13:11. Een beest uit de aarde

Opb 13:11  En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als de draak. (TELOS)

Uit de aarde. Vermoedelijk uit het land Israël en vermoedelijk een Jood.

Twee horens. Een mannelijk dier.

Aan die van een lam gelijk. De Heer Jezus is het Lam van God. Het beest uit de aarde lijkt in zijn geestelijk gezag op een lam.

Het sprak als de draak. Het spreekt de woorden van de duivel. Ook Petrus sprak eens woorden die hem door de duivel waren ingegeven:

Mr 8:33 Hij keerde Zich echter om en terwijl Hij naar zijn discipelen keek, bestrafte Hij Petrus en zei: Ga weg, achter Mij, satan; want je bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen. (TELOS)

Bij Petrus was dat een incident, bij het beest uit de aarde zal dat aanhoudend zijn. Het is een spreekbuis van de duivel. Wat hij spreekt hoeft niet alles lelijk en afstotend te zijn, het kan vleitaal zijn, woorden die aannemelijk overkomen, voor de hand liggende raadgeving, uitingen van (schijnbare) goedheid.

Opb. 13:12. Zijn dienst aan het eerste beest

Opb 13:12 En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was. (TELOS)

Oefetn al het gezag van het eerste beest uit. Dat eerste beest, het beest uit de zee, heeft veel gezag gekregen, zie de voorafgaande beschrijving van dat beest.

In diens tegenwoordigheid. Het beest uit de aarde speelt dus een belangrijke rol. Zijn verhouding tot het eerste beest doet denken aan het gezag van Jozef in Egypte ten opzichte van de farao, die nog boven hem stond.

In tegenwoordigheid van het eerste beest doet het beest uit de aarde tekenen.

Opb 13:14 En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tot hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en weer leefde, een beeld moesten maken. (TELOS)

Opb. 13:13. Het doet grote tekenen

Opb 13:13 En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen. (TELOS)

Grote tekenen. Van Mens der zonde, de Wetteloze wordt gezegd dat zijn komst met allerlei kracht en tekenen en wonderen gepaard gaat.

2Th 2:9 hem, wiens komst naar de werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van de leugen, (TELOS)

Vuur uit de hemel. Dat is een van de grote tekenen. Vuur uit de hemel doen neerdalen, dat was een teken dat ook Elia, een van de oude profeten van Israël, deed. Vergelijk de gebeurtenissen op de berg waar Elia zat:

2Kon 1:9 En hij stuurde een hoofdman over vijftig naar hem toe met zijn vijftigtal. Toen deze naar hem toe klom-want zie, Elia zat op de top van een berg-sprak hij tot hem: Man Gods, de koning heeft gesproken: Kom naar beneden! 2Kon 1:10 Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman over vijftig: Als ik een man Gods ben, laat er dan vuur uit de hemel neerkomen en u en uw vijftigtal verteren. Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal. (HSV)

Ten aanschouwen van de mensen. Dat gebeurt derhalve niet in het verborgene of op een eenzame plaats. Dankzij het medium televisie kan het verrichten van de wonderen zelfs overal in de wereld worden aanschouwd.

Opb. 13:14. Misleiding. Opdracht tot een beeld

Opb 13:14 En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tot hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en weer leefde, een beeld moesten maken. (TELOS)

Misleidt ... door de tekenen.

Vergelijk wordt gezegd wordt van de Mens der zonde, de Wetteloze:

2Th 2:9 hem, wiens komst naar de werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van de leugen, (TELOS)

In tegenwoordigheid van het beest. Het oefent al het gezag van het eerste beest uit "in diens tegenwoordigheid".

Opb 13:12 En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was. (TELOS)

Hen die op de aarde wonen. Johannes is, wanneer hij deze dingen ziet, geestelijk in de hemel; hij neemt een hemels gezichtspunt in.

Dat de wond van het zwaard had en weer leefde. Een van de zeven koppen was "als tot de dood geslagen" en had een "dodelijke wond" (Opb. 13:3, 12).

Opb 13:3 En ik zag een van zijn koppen als tot de dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna. (TELOS)

De wond wordt geslagen met een zwaard, "de wond van het zwaard". Het schijnt dat de kop wordt gedood, gegeven dat het daarna "weer leefde". De wond werd echter wonderbaarlijk genezen. Het gevolg was dat de hele aarde, de hele mensenwereld, het beest met verbazing achterna ging.

Opb 13:12 En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was. (TELOS)

Beeld van Nebukadnezar.

Een beeld moesten maken. Het beeld was een teken van aanbidding, het maken een wijze van eerbetoon. Het beeld doet denken aan het beeld van Nebukadnezar (zie afbeelding).

Opb. 13:15 Adem en spraak van het beeld. Doodstraf voor aanbiddingsweigeraars.

Opb 13:15 En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden. (TELOS)

Beeld van het beest adem te geven, opdat het ... zou spreken. Het krijgt adem. Het doel is om het beeld te doen spreken. God gaf de levensadem aan de eerste mens Adam. Het beest uit de aarde heeft goddelijke scheppingsmacht. Hij kan leven scheppen, ja, intelligent leven voortbrengen! De mens heeft de plaats van God ingenomen. God is niet meer nodig! Dat is echter schijn. Want God heeft "aan allen leven en adem en alles". Ook aan het beest zelf.

Hnd 17:25 en wordt ook niet door mensenhanden verzorgd alsof Hij nog iets nodig heeft, daar Hijzelf aan allen leven en adem en alles geeft. (TELOS)

Heden ten dage worden mensvormige robots gemaakt, die kunnen spreken. Misschien is het beeld van het beest het hoogtepunt van de huidige technische ontwikkeling en tevens zeker van de godsdienstige afval.

maken dat ... gedood zouden worden. Wie of wat maakt? Het beest uit de aarde, het beeld? Indien het beeld maakt, dan krijgt het ook gezag. Het is uit het verband van de tekst meer aannemelijk dat het beest uit de aarde maakt dat de weigeraars gedood zullen worden.

Onder hen die gedood worden, zijn de heiligen. Want vele heiligen zullen als martelaren en aanbiddingsweigeraars sterven.

Opb 20:4 En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren. (TELOS)

Vergelijk wat gezegd wordt van de elfde koning die Daniël zag:

Da 7:25 Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd. (HSV)

Opb. 13:16-18. Het merkteken.

Opb 13:16 En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd; Opb 13:17 en dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam. Opb 13:18 Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is het getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig. (TELOS) 

Vergelijk:

Opb 20:4 En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren. (TELOS)

Op hun rechterhand. Het merkteken heeft een economische functie. De rechterhand met het merkteken is makkelijk langs een scanner te houden.

Of op hun voorhoofd. Dat lijkt op een keuzemogelijkheid. Op hun voorhoofd: misschien om het dicht bij de hersenen te plaatsen, waar het mogelijk een verbinding mee heeft. Deze toegedichte mogelijkheid berust niet op een bijbels gegeven, maar op kennis van de huidige technologische ontwikkeling.

De naam van het beest of het getal van zijn naam. Ook hier lijkt een keuzemogelijkheid te bestaan. Het "getal van het beest" is "het getal van zijn naam".

Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft... Vergelijk:

Opb 17:9 Hier is het verstand dat wijsheid heeft: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit. (TELOS)

Hetzelfde Griekse woord voor 'verstand, denken' staat in 1 Cor. 2, waar sprake is van het denken van de Heer (Christus), dat "wij" hebben. Eens waren wij "verduisterd" in het verstand (Ef. 4:18).

Berekenen. In het Hebreeuws, Grieks en Latijn hebben letters een getalswaarde. De getalswaarden van de letters van kunnen worden opgeteld en zo het getal van een naam opleveren. Het getal van de naam van het beest is 666. De naam van het beest is nog niet bekend.

De opdracht om het getal van het beest te berekenen schijnt onnodig als het getal hier al gegeven is: 666. De berekening legt echter een verband tussen de naam van het beest en het getal van zijn naam. Uit de naam wordt het getal berekend. De uitkomst wordt gegeven, maar de naam nog niet. De naam komt in de toekomst naar voren. De heiligen die dan op aarde zullen leven, kunnen een rekenkundig verband leggen tussen de naam en het getal van de naam. Ze zullen voor zichzelf en elkaar kunnen aantonen dat het beest, dat zij weigeren te aanbidden, het beest uit de zee is en dat zijn naam de getalswaarde 666 heeft.

Het getal van een mens. Het getal van het beest is het getal van een mens, want het beest is ook een mens, niet enkel een koninkrijk. Het getal zes is het getal van de mens voorzover de mens op de zesde dag geschapen is.

Zeshonderdzesenzestig. Het is "het getal van een mens". Zie het artikel Zeshonderzesenzestig.