Openbaring van Johannes/Hoofdstuk 18

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 18 van het Bijbelboek Openbaring van Johannes wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

In het vorige hoofdstuk wordt Babylon voorgesteld als een overspelige vrouw. Dit is Babylon in haar godsdienstig overspelig karakter. Aan het eind van dat hoofdstuk wordt verklaard dat Babylon een grote stad is. Een andere engel verkondigt nu de val van de stad Babylon. Daarna (18:4v) roept een andere stem (waarschijnlijk de Heer Jezus) uit de hemel Zijn volk toe om uit Babylon te gaan. De verwoesting van de stad en de wening van de kooplieden. Hemel en heiligen opgewekt tot vreugde over haar oordeel. Een engel toont het oordeel over de stad.

Opb. 18:2. Babylon gevallen

Opb 18:2 En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden. (TELOS)

Gevallen, gevallen is het grote Babylon. Vergelijk de eerdere verkondiging in hoofdstuk 14:

Opb 14:8 En een andere, een tweede engel volgde en zei: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij alle naties heeft laten drinken. (TELOS)

Het oordeel van Babylon wordt meermalen beschreven in hoofdstuk 17 en 18.

Opb 17:16 En de tien horens die u hebt gezien en het beest, dezen zullen de hoer haten en haar eenzaam en naakt maken, en haar vlees eten en haar met vuur verbranden.

Opb 18:21 En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee en zei: Zo zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en zij zal geenszins meer gevonden worden. (TELOS)

De stad is gevallen. De vrouw, een hoer, was, geestelijk en zedelijk gezien, al gevallen, en nu zal zij stoffelijk ten val komen. Van de val van een stad kan men spreken bij de inneming of verwoesting ervan.

Woonplaats ... geworden. Onduidelijk is of zij een dergelijke duistere plaats was geworden, voordat de stad viel, of nàdat zij gevallen was. Demonen immers huizen immers van nature in plaatsen van de dood, doch ook in plaatsen van zonde.

Elke onreine en gehate vogel. Men kan dit figuurlijk verstaan van onreine geesten, doch ook letterlijk (zie Reine en onreine dieren).

Opb. 18:3. Haar invloed

Opb 18:3 Want van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij hebben alle naties gedronken en de koningen van de aarde hebben met haar gehoereerd en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de macht van haar weelde. (TELOS)

Grimmigheid van haar hoererij. Vergelijk:

Opb 14:8 En een andere, een tweede engel volgde en zei: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij alle naties heeft laten drinken. (TELOS)

Vreemde uitdrukking. Een hoer doet zich lief en aardig voor. Doch deze hoer, Babylon, heeft een grimmig hart.

Alle naties. Zie ook het aangehaalde vers 14 ("alle naties"). De "vele wateren" (Opb. 17:1) waarop zij zit, zijn "volken en menigten en naties en talen" (Opb. 17:15).

Gedronken. De vrouw heeft immers een drinkbeker in haar hand, waaruit zij te drinken geeft. Vergelijk:

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

Opb 14:8 En een andere, een tweede engel volgde en zei: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij alle naties heeft laten drinken. (TELOS)

Opb. 17:2 ... zij die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij. (TELOS)

De koningen van de aarde. Vergelijk:

Opb 17:2 met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben, (TELOS)

Kooplieden van de aarde. De grote stad Babylon neemt veel goederen af. De kooplieden van de aarde verdienen veel aan de grote afnemer Babylon.

Babylon heeft invloed op de politiek ("koningen") en de economie ("kooplieden").

Weelde. Haar weelde werd al getoond door haar verschijning:

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

Opb. 18:4-5. Oproep om weg te gaan uit Babylon

Opb 18:4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt; Opb 18:5 want haar zonden zijn opgestapeld tot aan de hemel en God heeft Zich haar ongerechtigheden herinnerd. (TELOS)

Andere stem. Van Jezus waarschijnlijk, want de stem spreekt tot "mijn volk" en van "God heeft Zich".

Gaat uit van haar. Er zijn dan blijkbaar nog heiligen, leden van Gods volk in de grote stad Babylon. De oproep heeft een toepassing vandaag de dag: gaat weg uit een groep mensen als je serieus gevaar loopt gemeenschap met hun zonden te hebben. Denk bijvoorbeeld aan zuipfeestjes van jongeren.

Mijn volk. Dat is niet de gemeente, want die vinden wij niet meer op aarde. Althans op het standpunt van het pretribulationisme. De gemeente is eerder opgenomen in de hemel. "Mijn volk" verwijst dan naar de gelovige Israëlieten en niet-Israëlieten.

Opdat ... en opdat. Tweeërlei doel: geen gemeenschap, geen plagen. God wil zijn volk behoeden! Door deel te hebben aan zonden, maken wij ons mede verantwoordelijk.

Zonden zijn opgestapeld tot aan de hemel. Een grote berg zonden.

Herinnerd. God heeft kennelijk een herinneringsvermogen. Niet alles wat Hij weet, staat Hem voor ogen; maar Hij kan zich feilloos alles herinneren.

Opb. 18:6. Vonnis over Babylon

Opb 18:6 Vergeldt haar zoals ook zij vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar haar werken; mengt haar dubbel in de drinkbeker die zij gemengd heeft. (TELOS)

Hier hebben wij de toepassing van Gods strafrecht. Een belangrijk beginsel daarvan is wedervergelding. "Vergeldt haar zoals ook zij vergolden heeft".

Aan wie wordt de wedervergelding opgedragen? Waarschijnlijk aan de engelen, die het oordeel uitvoeren. Want in het boek Openbaring zijn het engelen die de oordelen uitvoeren. Mogelijk voeren de heiligen oordelen uit wanneer zij in het leger van Christus in deze wereld verschijnen.

Ro 16:20 De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u! (TELOS)

Opb. 18:7

Opb 18:7 Naarmate zij zichzelf verheerlijkt heeft en weelderig geleefd heeft, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want zij zegt in haar hart: Ik zit als koningin en ben geen weduwe en zal helemaal geen rouw zien.

Zichzelf verheerlijkt. Zij heeft zichzelf gezocht, zichzelf welgedaan, zichzelf rijk gemaakt.

Geeft haar zoveel pijniging en rouw. Een passende vergelding die bestaat in het tegendeel van weelde, vrolijkheid en heerlijkheid: ellende en rouw.

Ik zit als koningin. Zelfroem.

Ben geen weduwe. Vermoedelijk zegt zij dit, omdat zij in feite een weduwe is, maar zich niet zo voelt en evenmin als weduwe leeft. Er is een grote afval van God geweest, maar zij voelt niet dat zij van God weg is, dat zij van Hem los is, dat zij zonder Hem leeft.

Geen rouw zien. Een weduwe draagt rouw over het verlies van haar man. Zij draagt geen rouw. Zij heeft zoveel om van te genieten, zij krijgt zoveel aandacht en bezoek!

Opb. 18:8

Opb 18:8 Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is de Heer, God, die haar geoordeeld heeft. (TELOS)

Op één dag. In een kort tijdsbestek, ja, "in één uur".

Opb 18:10 ... Wee, wee de grote stad, Babylon, de sterke stad; want in één uur is uw oordeel gekomen. (TELOS)

Dood. Zij heeft de dood van haar man niet als dood ervaren. Zij is van Hem afgevallen en houdt Hem niet meer in herinnering. Nu zal de dood een verschrikkelijke realiteit voor haar worden.

Rouw. "Ik zal helemaal geen rouw zien," had zij gezegd. Nu overvalt de rouw haar.

Honger. Een van Gods zware gerichten (zie Strafrecht van God). Zij, die weelderig geleefd, een gouden drinkbeker in haar hand hield en aan geen ding gebrek had, zal honger lijden.

Sterk is de Heer, God. Hij heeft de macht om Babylon in één dag ten onder te brengen.

God, die haar geoordeeld heeft.

Opb 19:2 Want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde heeft verdorven met haar hoererij, en Hij heeft het bloed van zijn slaven van haar hand gewroken. (TELOS)

Opb. 18:9. Reactie van de koningen

Opb 18:9  En de koningen van de aarde die met haar gehoereerd en weelderig geleefd hebben, zullen over haar wenen en weeklagen, wanneer zij de rook van haar brand zien,  (TELOS)

De koningen der aarde die met haar gehoereerd hebben. Vergelijk:

Opb 17:2 met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben, ... (TELOS)

Opb 18:3 Want van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij hebben alle naties gedronken en de koningen van de aarde hebben met haar gehoereerd en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de macht van haar weelde. (TELOS)

De koningen van de aarde zijn niet gelijk aan de tien koningen van het Beest.

Weelderig geleefd. Zij hebben met haar weelderig geleefd. Zij hebben gedeeld in haar weelde.

Rook van haar brand. Met vuur zou "zij verbrand worden" (18:8). Zij zien dat de stad Babylon in vlammen opgaat.

Opb. 18:10

Opb 18:10 terwijl zij uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan en zeggen: Wee, wee de grote stad, Babylon, de sterke stad; want in één uur is uw oordeel gekomen. (TELOS)

Haar pijniging. Vergelijk

Opb 18:7 Naarmate zij zichzelf verheerlijkt heeft en weelderig geleefd heeft, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want zij zegt in haar hart: Ik zit als koningin en ben geen weduwe en zal helemaal geen rouw zien. (TELOS)

De grote stad. Meerdere malen wordt zij zo genoemd, zie Babylon.

In één uur. In een zeer kort tijdsbestek. Ook de mensen op zee spreken van "in één uur is zij verwoest" (18:19):

Opb 18:19 En zij wierpen stof op hun hoofden en terwijl zij weenden en treurden, riepen zij de woorden: Wee, wee de grote stad, waarin allen die hun schepen op zee hadden, door haar kostbaarheid rijk werden; want in een uur is zij verwoest. (TELOS)

Dat uur valt binnen "één dag":

Opb 18:8 Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is de Heer, God, die haar geoordeeld heeft. (TELOS)

Op één dag en, zo schijnt het, binnen die dag in één uur. Zo zijn de gelovigen voordien weggenomen en veranderd op een dag, op een uur van die dag, in een oogwenk van dat uur (opname van de gemeente).

Sterke stad. Behalve groot is de stad sterk. Maar God is sterker:

Opb 18:8 Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is de Heer, God, die haar geoordeeld heeft. (TELOS)

Opb. 18:11. Reactie van de kooplieden

Opb 18:11 En de kooplieden van de aarde wenen en treuren over haar, omdat niemand hun koopwaar meer koopt: (TELOS)

De kooplieden van de aarde. Naast de koningen van de aarde wordt de getroffen stad ook beweend door de kooplieden van de aarde.

Opb. 18:12-13. De koopwaar

Opb 18:12 koopwaar van goud, van zilver, van edelgesteente en van parels; van fijn linnen, van purper, van zijde en van scharlaken; allerlei welriekend hout, allerlei ivoren voorwerpen en allerlei voorwerpen van zeer kostbaar hout; van koper, van ijzer en van marmer; Opb 18:13 kaneel, specerij, reukwerken, balsem, wierook, wijn, olie, meelbloem en tarwe; lastdieren en schapen; van paarden en wagens; van lichamen en zielen van mensen. (TELOS)

Goud. De vrouw was versierd met goed en had een gouden drinkbeker in haar hand.

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

Edelgesteente. De vrouw zelf was versierd met edelgesteente:

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

Parels. De vrouw zelf was versierd met parels:

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

Fijn linnen. De vrouw zelf was bekleed met fijn linnen.

Opb 18:16 en zeggen: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn linnen, purper en scharlaken en versierd met goud, edelgesteente en parels; want in een uur is die zo grote rijkdom verwoest. (TELOS)

Purper. De vrouw zelf was bekleerd met purper:

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

Scharlaken. De vrouw zelf was bekleerd met scharlaken:

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

Lichamen en zielen van mensen. Dode koopwaar wordt in de opsomming gevolgd door levende koopwaar van dieren en mensen. "Lichamen en zielen van mensen" duidt misschien op slavenhandel, mensenhandel. Misschien mogen we zelfs denken aan handel in organen of andere lichaamsdelen.

Opb. 18:14

Opb 18:14 En de vruchten die de begeerte van uw ziel waren, zijn van u geweken en al het glansrijke en blinkende is voor u verloren en men zal het geenszins meer vinden. (TELOS)

Vruchten. De goederen die zij lustte, verlangde te hebben.

Geweken... verloren. Zij is in één klap verarmd, beroofd van haar goederen. Vergelijk:

Opb 17:16 En de tien horens die u hebt gezien en het beest, dezen zullen de hoer haten en haar eenzaam en naakt maken, en haar vlees eten en haar met vuur verbranden. (TELOS)

Al het glansrijke en blinkende. Zij was versierd met goud en edelgesteente en parels, glansrijke en blinkende kostbaarheden. In haar hand had ze een gouden drinkbeker.

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

Haar heerlijkheid is verdwenen.

Opb. 18:15

Opb 18:15 De kooplieden in deze dingen, die door haar rijk geworden zijn, zullen uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan, terwijl zij wenen en treuren (TELOS)

Door haar rijk geworden. Doordat zij hun goederen kocht. Vergelijk:

Opb 18:3 Want van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij hebben alle naties gedronken en de koningen van de aarde hebben met haar gehoereerd en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de macht van haar weelde. (TELOS)

In de verte blijven staan. Dat doen ook de koningen der aarde, uit dezelfde vrees.

Opb 18:10 terwijl zij uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan en zeggen: Wee, wee de grote stad, Babylon, de sterke stad; want in één uur is uw oordeel gekomen. (TELOS)

Wenen en treuren. De kooplieden wenen en treuren om het verlies van een grote afnemer, ze zullen grote inkomsten derven. Ook de koningen der aarde zullen wenen en treuren. Ook zij hebben missen het deelgenootschap van haar heerlijkheid.

Opb 18:9 En de koningen van de aarde die met haar gehoereerd en weelderig geleefd hebben, zullen over haar wenen en weeklagen, wanneer zij de rook van haar brand zien, (TELOS)

Opb. 18:16

Opb 18:16 en zeggen: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn linnen, purper en scharlaken en versierd met goud, edelgesteente en parels; want in één uur is die zo grote rijkdom verwoest. (TELOS)

Wee, wee. Ook de koningen van de aarde hieven zo hun weeklacht aan:

Opb 18:10 terwijl zij uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan en zeggen: Wee, wee de grote stad, Babylon, de sterke stad; want in een uur is uw oordeel gekomen. (TELOS)

De grote stad. De koningen voegen in hun weeklacht bij: "de sterke stad". Koningen hebben meer oog voor macht en kracht.

Bekleed .... versierd. De kooplieden hebben meer oog voor de goederen waarmee zij zich bekleedt en versiert. Ook Johannes zag haar in de eerste plaats als een heerlijk beklede en versierde vrouw:

Opb 17:4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij. (TELOS)

De kooplieden spreken van een stad, die heerlijk bekleed en versierd was; Johannes spreekt van een vrouw. De vrouw symboliseert een stad. Haar heerlijkheid is die van de stad Babylon.

In één uur. Ook de koningen van de aarde constateren dat:

Opb 18:10 terwijl zij uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan en zeggen: Wee, wee de grote stad, Babylon, de sterke stad; want in één uur is uw oordeel gekomen. (TELOS)

Opb. 18:17-18. De zeelieden zien uit de verte toe

Opb 18:17 En iedere stuurman en iedere zeereiziger en de zeelieden en allen die op zee hun werk hebben, bleven in de verte staan Opb 18:18 en terwijl zij de rook van haar brand zagen, riepen zij de woorden: Welke stad was aan die grote stad gelijk? (TELOS)

Bleven in de verste staan. Dat deden ook de koningen (18:10) en de kooplieden (18:15).

Rook van haar brand. Ze is met vuur verbrand (18:8). Ook de koningen zien "de rook van haar brand" (18:9)

Grote stad. Ook de koningen van de aarde spreken van "de grote stad, Babylon" (18:10), ook de kooplieden noemen haar "de grote stad" (18:15). Over de grootheid van Babylon, zie Babylon.

Opb. 18:19. Hun wee-roep

Opb 18:19 En zij wierpen stof op hun hoofden en terwijl zij weenden en treurden, riepen zij de woorden: Wee, wee de grote stad, waarin allen die hun schepen op zee hadden, door haar kostbaarheid rijk werden; want in een uur is zij verwoest. (TELOS)

Weenden en treurden. De koningen "wenen en weeklagen" (18:9), de kooplieden "wenen en treuren" (18:11, 15).

Wee, wee. Ook de koningen van de aarde (18:10) en de kooplieden (18:16) roepen een dubbel "wee".

De grote stad. Vgl. vers 18.

In een uur is zij verwoest. In een zeer kort tijdsbestek. Ook de kooplieden spraken van "in één uur is uw oordeel gekomen" (18:10).

Opb 18:10 terwijl zij uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan en zeggen: Wee, wee de grote stad, Babylon, de sterke stad; want in een uur is uw oordeel gekomen.

Dat uur valt binnen "één dag":

Opb 18:8 Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is de Heer, God, die haar geoordeeld heeft. (TELOS)

Opb. 18:20. Oproep tot vrolijkheid.

Opb 18:20 Wees vrolijk over haar, hemel, en u, heiligen en apostelen en profeten, omdat God uw rechtszaak tegen haar berecht heeft. (TELOS)

Wees vrolijk over haar. Dit staat in contrast met het wenen, weeklagen en treuren bij de koningen van de aarde, de kooplieden en de zeelieden.

Hemel. Hemelbewoners.

En u. In het bijzonder u. De heiligen en apostelen en profeten hebben geleden door Babylon. Volgens de overlevering is Petrus te Rome te kruisdood gestorven. Heiligen werden onder keizer Nero te Rome als fakkels aangestoken. Johannes was een heilige, apostel en profeet die verbannen was naar het eiland Patmos.

Opb. 18:21. Verdwijning van de stad.

Opb 18:21 En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee en zei: Zo zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en zij zal geenszins meer gevonden worden. (TELOS)

In de zee. De zee is mogelijk een zinnebeeld van de volkerenmassa. Misschien hier gebruikt om aan de geven dat de mensen haar zullen verwoesten. Het zijn immers de tien koningen die haar verwoesten.

Opb 17:16 En de tien horens die u hebt gezien en het beest, dezen zullen de hoer haten en haar eenzaam en naakt maken, en haar vlees eten en haar met vuur verbranden. Opb 17:17 Want God heeft in hun harten gegeven zijn bedoeling uit te voeren en het met enerlei bedoeling uit te voeren en hun koninkrijk aan het beest te geven, totdat de woorden van God vervuld zullen zijn. (TELOS)

Geenszins meer gevonden worden. De molensteen verdwijnt onder water, zinkt naar de bodem, verdwijnt uit beeld, is weg.