Opziener

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een opziener is een broeder die door de Heilige Geest in de gemeente is gesteld (Hand. 20:28) om als een herder de gemeente te hoeden (Hand. 20:28). Hij houdt opzicht of toezicht. De opziener dient niet enkel op de kudde (de gemeente), maar ook en in de eerste plaats op zichzelf passen (Hand. 20:28). Opzienerschap is een goed werk (1 Tim. 3:1).

Synoniem. Een synoniem is "bisschop". Engelse equivalenten zijn: bishop, overseer. Duits: Aufseher. Latijn: episcopos.

Griekse woord. Het Griekse woord gebruikt in het Nieuwe Testament is επισκοπος, episkopos (klemtoon op de tweede lettergreep -pis-). Het Strongnummer is 1985. Het woord komt 5x voor in het Nieuwe Testament. Het woord betekent "opzichter, toezichthouder": (a) iemand die de plicht heeft erop toe te zien dat wat door anderen gedaan wordt, op de juiste wijze geschiedt, een curator, superintendent; (b) de superintendent, oudste of ouderling in een christelijke gemeente.[1]

Episkopos is samengesteld uit epi (= op) en skopos (= uitkijk, doel). Het Griekse woord σκοπος, skopos, komt van skeptomai (= letten op, vgl. "skeptisch")[1], en betekent[1] (1) uitkijk, verspieder, of (2) het verre doel waarnaar uitgekeken wordt, het doel dat iemand voor ogen heeft.

In de Griekse hoofdstad Athene werden de inspecteurs voor staatszaken 'opzieners' (Gr. episkopoi) genoemd. In Athene heetten zo met name zij, die naar een veroverde stad werden gezonden, om er het bewind te voeren[2]. Vergelijk de taak van ouderlingen in de gemeente die Gód zich heeft verworven:

Hnd 20:28 Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van zijn eigen Zoon. (TELOS)

In Rhodos heetten de vijf beambten die een bestuursorgaan vormden 'opzieners' (Gr. episkopoi). Ook beambten van een religieuze groep droegen de titel van 'episkopos'.[3]

In het Nieuwe Testament wordt de naam 'episkopos' gebezigd voor de voorgangers of opzieners van de gemeente. Onze woord 'bisschop' komt van het Griekse woord.

Meerheid. Een gemeente heeft normaliter meerdere opzieners (vgl. Hand. 20:28; Filp. 1:1).

De apostel Paulus zei tot de ouderlingen van de gemeente in Efeze:

Hnd 20:28 Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van zijn eigen Zoon. (TELOS)

(Aan)stelling. Uit het vorige vers blijkt dat, idealiter, de Heilige Geest personen als opzieners aanstelt. Zij zijn door de plaatselijke medegelovigen te herkennen aan de eigenschappen die in Tit. 1:7 en 1 Tim. 3:1 worden vereist. Op herkenning dient dan ook erkenning van hun taak en plaats te volgen.

1Th 5:12 Wij nu vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden en u leiding geven in de Heer en u terechtwijzen, 1Th 5:13 en hen zeer hoog te achten in liefde om hun werk. Houdt vrede onder elkaar. (TELOS)

Samenwerking met dienaars. Een opziener werkt samen met de dienaars (diakenen) ten behoeve van de gemeente (Fil. 1:1).

Flp 1:1 Paulus en Timotheus, slaven van Christus Jezus, aan alle heiligen in Christus Jezus die in Filippi zijn, met de opzieners en dienaars; (TELOS)

Christus Opziener. De Heer Jezus is de Opziener van onze zielen.

1Pe 2:25 Want u dwaalde als schapen, maar bent nu teruggekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen. (TELOS)

Opzieners en oudsten. De term 'opziener' verwijst naar werkzaamheid van een ouderling als toezicht houdend op de plaatselijke gemeente. Dat toezicht gebeurt uit zorg voor de medegelovigen. Het houdt verband met de herderlijke taak van hoeden en verzorgen van de schapen.

De term 'ouderling' of 'oudste' (Gr. presbuteros) drukt meer de volwassenheid en de waardigheid van het ambt uit. Het Griekse woord presbuteros is afgeleid van πρεσβυς, 'oud' in de zin van voorrang in waardigheid, niet in de eerste plaats 'voorrang in jaren'. Het Griekse παλαιός legt meer de nadruk op 'oud' in de zin van jaren. Een 'ouderling' in de gemeente van Christus wordt dat niet door ouderdom, maar door zijn geestelijke volwassenheid en waardigheid, die uiteraard veelal na jaren van leren en leven verkregen wordt. Ook geestelijke volwassenheid vergt immers tijd. Een 'pasbekeerde' kan geen oudste, opziener zijn (1 Tim. 3:6 "geen pasbekeerde").

Vereisten. Opzienerschap is een goed werk en een broeder mag er naar streven (1 Tim. 3:1). Wel dient hij bepaalde eigenschappen te hebben.

Tit 1:7 Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit, (TELOS)

1Ti 3:1 Het woord is betrouwbaar: als iemand streeft naar het opzienerschap, begeert hij een goed werk. 1Ti 3:2 De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van een vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren, 1Ti 3:3 geen drinker, geen vechter, maar inschikkelijk, niet twistziek, niet geldzuchtig, 1Ti 3:4 iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid, 1Ti 3:5 -maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? - 1Ti 3:6 geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in hetzelfde oordeel als de duivel valt. 1Ti 3:7 En hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn, opdat hij niet in opspraak komt en in de strik van de duivel valt. (TELOS)

Zie ook

Opzieners van de gemeente te Jeruzalem

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  2. Aldus D. Harting, Grieks-Nederlands handwoordenboek op het Nieuwe Testament, onderdeel van de Online Bible (uitgeverij Importantia).   
  3. Griechisch-Deutsch Strongs Lexikon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.