Paradijs

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het paradijs is de heerlijke plaats waar de eerste mensen, Adam en Eva, aanvankelijk vertoefden en die een aards evenbeeld is van een gelijknamig gelukzalig oord in de hemel. Het woord paradijs is afgeleid van een Perzisch woord voor 'tuin' of 'park'.

Betekenissen in het Nederlands. In het Nederlandse woordgebruik kan 'paradijs' verwijzen naar:

  1. De verblijfplaats van de eerste mensen: de hof van Eden
  2. De plaats waar de gelovigen na hun aardse leven naar toe gaan
  3. De toekomstige paradijselijke toestand van de aarde onder de heerschappij van Christus
  4. Een zeer aangenaam oord, een verrukkelijke plaats op aarde waar het bijvoorbeeld dankzij een prettig klimaat, een mooie omgeving en overvloed van voedsel goed toeven is
  5. Een toekomstige, voor de mens ideale toestand op aarde
  6. De bovenste galerij in een schouwburg

Hof van Eden

De Hof van Eden was een door God Zelf geplante tuin in het Midden-Oosten. Zie Hof van Eden voor het hoofdartikel. 

Verblijfplaats der zaligen

Het woord 'paradijs' wordt ook gebruikt voor de plaats waar de zaligen (verlosten en gelukkigen) na hun aardse leven naar toe gaan: een oord van hemelse gelukzaligheid. In het Nieuwe Testament komt het woord 'paradijs' drie keer voor (Luc. 23:43, 2 Cor. 12:4), Opb 2:7)

In Opb. 2:7 is sprake van 'het paradijs van God'. God is schepper en eigenaar van dat zalige oord. 

Opb 2:7 Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is. (TELOS)

Vergelijk de aardse hof van Eden: Genesis vermeldt uitdrukkelijk dat God de hof van Eden geplant heeft. 

Ge 2:8 Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had. (SV)

Het hemelse paradijs heeft God bestemd voor de ontslapen rechtvaardigen. Het aardse paradijs had Hij bestemd voor de eerste mensen; "Hij stelde aldaar de mens"  (Gen. 2:8).

In het Nieuwe Testament komt het woord 'paradijs' de eerste maal voor in Luc. 23:43, waar de gekruisigde Heiland tegen een van de medekruiselingen, die in Hem geloofde, zei: 

Lu 23:43 En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn. (TELOS)

In het paradijs is Christus op een bijzondere wijze tegenwoordig. De ontslapen heilige leeft er met Hem, dus geen eenzaam bestaan. De apostel Paulus noemt de toestand van met Christus te zijn zelfs "verreweg het beste". De toestand van de ontslapene is gelukzalig.

Flp 1:21 Want te leven is voor mij Christus en te sterven is winst. Flp 1:22 Maar moet ik blijven leven in het vlees, dan is dat voor mij de moeite waard, en wat ik moet kiezen, weet ik niet; Flp 1:23 maar ik word van beide kanten gedrongen: ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; Flp 1:24 maar in het vlees te blijven is nodiger ter wille van u.(TELOS)

Voor rechtvaardige Israelieten is het paradijs 'de schoot van Abraham', waar zij nabij hun aartsvader Abraham zullen zijn. 

Lu 16:22 Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham. Lu 16:23 De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot. (TELOS)'

De apostel Paulus is tijdelijk opgenomen geweest in het paradijs, waar hij onuitsprekelijke woorden hoorde:

2Co 12:3 En ik weet van zo’n mens (of het was in het lichaam of zonder het lichaam, weet ik niet, God weet het) 2Co 12:4 dat hij werd opgenomen in het paradijs en onuitsprekelijke woorden hoorde, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.(TELOS)

In het paradijs is de Boom van het Leven.

Opb 2:7 Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is. (TELOS)

De zaligen in het paradijs verblijven er in afwachting van de opstanding uit de doden. De Zoon van God zal ze opwekken in een nieuw, onsterfelijk lichaam.

Daar zowel het aardse paradijs als het hemelse paradijs heerlijke oorden zijn en een boom van het leven bevatten, is het aardse paradijs mogelijk een afbeelding, een aards evenbeeld van het hemelse oord. Vergelijk de aardse tabernakel, dat naar een model van de hemelse tabernakel werd vervaardigd. 

Gij zult mij leiden door uw raad, 
O God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid. 
Opnemen in uw heerlijkheid.  
(Naar Psalm 73:24)

Vrederijk

Het woord "paradijs" wordt ook wel eens gebruikt in verband met het toekomstige 1000-jarige vrederijk onder de heerschappij van Jezus Christus. De Bijbel duidt de toekomstige toestand van vrede en geluk echter niet aan met het woord "paradijs". De toestand is zeker beter dan heden, maar bereikt de toestand van onschuld en volkomen geluk als in de hof van Eden niet. In het vrederijk van Christus zullen de mensen op aarde nog altijd een zondige natuur hebben en zullen er ook uitingen van zonde zijn. Aan het eind van de 1000 jaren breekt zelfs een grote opstand uit, waarna God moet ingrijpen. Het vrederijk zal het beste millennium in de geschiedenis van de mensheid zijn, maar niet een volmaakte wereld. 

Buitenbijbelse overlevering

Van het Paradijs spreekt menige buitenbijbelse overlevering. Eerst, zo wordt verhaald, waren de mensen onschuldig en gelukkig, was er een goude eeuw; toen gingen dieren en mensen, en mensen en Goden vertrouwelijk met elkaar om; er was geen boosheid of list.

De oudste der klassieke Dichters, die er over spreekt, Hesiodus, beschrijft die eeuw aldus:

Eerst toch zag men hier op aarde 't menschlijk leven vrij van druk,
Niet geplaagd met zuren arbeid, niet ten prooi aan 't ongeluk.
Ziekten, wier verteerend blaken ons de jeugd te vroeg verslijt,
Deden toen de stervelingen niet veroud'ren vóór den tijd.
Niemand kende zorg of moeite; niemand vreesde voor gevaar;
Hoe de jaren mogten klimmen, de ouderdom viel niemand zwaar.
Hand en voet bleef onbezweken, vast en vlug als in de jeugd ,
't Sterven was een zacht ontslapen na een leven vol geneugt.

Zelfs voegen enige dichters hier de kleine trek bij, dat de mensen toen geen dierlijk voedsel gebruikten, maar alleen veld- en boomvruchten.

Geen bouwers zich vermoeiden,
Verzaad van vruchten, die van zelf in 't wilde groeiden.
Zij plukten ooft en brem op bergen zonder last,
En eikels van den boom, Jupijn gewijd, hun allen
Milddadig voorgeschud en in den schoot gevallen.[1]

Meer informatie

Alene D. Oestreicher, Worldwide Traditions of Primordial Paradise. Institute for Creation Research, juni 1989.

Voetnoot

  1. Petrus Hofstede de Groot, Voorlezingen over de geschiedenis der opvoeding des menschdoms door God, tot op de komst van Jezus Christus (1855), p.70