Perpetua van Carthago

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vivia Perpetua (181-203 n.C.) was een martelares die om haar geloof in de Heer Jezus Christus samen met haar dienstmeid Felicitas op 7 maart 203 ter dood werd gebracht in de arena van Carthago.

Geschiedenis

Felicitas en Perpetua. Artistieke verbeelding, detail van een wandkleed.

Vivia (of Vibia) Perpetua was een jonge vrouw van voorname afkomst, wellicht uit de Noord-Afrikaanse stad Carthago. Haar naam Perpetua betekent 'eeuwig'. Haar vader was een heiden, maar haar moeder en twee broers hadden zich bekeerd tot de Heer Jezus. Perpetua was getrouwd met een man van goede afkomst. Samen hadden zij een kind, dat nog een zuigeling was. Zij en een andere broer van haar waren catechumenen, dat zijn bekeerlingen die onderwezen werden ter voorbereiding op hun doop.

In haar tijd waren er echter christenvervolgingen krachtens de wet van keizer Septimius Severus (leefde 145-211, regeerde 193-211), welke godsdienstpropaganda en bekeringswerk verbood.

Op 22-jarige leeftijd werd Perpetua, inmiddels weduwe geworden, gevangen genomen samen met vier anderen: Felicitas ('gelukkig'), wellicht haar slavin, die hoogzwanger was; een andere slaaf genaamd Revocatus en twee vrije mannen Saturninus en Secundulus. Hun vriend Satyrus voegde zich vrijwillig bij hen in de gevangenis. Van de eerste drie genoemde mannen meent men dat het catechumenen waren; misschien was Satyrus hun leermeester.

Perpetua schreef een verslag van de periode die zij en de andere christenen doorbrachten in de gevangenis van Carthago. Ze beschrijft hoe haar vader haar smeekt het geloof af te zweren om zo haar leven te redden: maar Perpetua en de anderen laten zich niet ompraten. Ze slagen er zelfs in om tijdens hun gevangenschap hun bewaker tot de Heiland te leiden! In de gevangenis schenkt de slavin Felicitas het leven aan een meisje, dat geadopteerd wordt door een vrouw die ook tot de gemeenschap der christenen behoort. Revocatus bezwijkt in de gevangenis.

In het verslag beschrijft Perpetua ook vier dromen, of visioenen, die ze tijdens haar gevangenschap krijgt en een visioen van Saturus. In de tweede droom ziet Perpetua zichzelf een ladder beklimmen, tot ze bij een vredig groen landschap komt waar schapen weiden: dat is voor haar de voorafspiegeling van haar marteldood.

Op 7 maart werden de vijf christenen (Perpetua en Felicitas, Revocatus, Saturninus en Secundulus) - naar de arena gebracht en voor de wilde dieren geworpen. Door de hoorns van wilde stieren of koeien werden zij zo toegetakeld dat ze aan de verwondingen ervan overleden. 

Perpetua en Felicitas werden begraven in Carthago en op de plaats van het graf werd een basiliek opgericht.

Manuscript

Het verslag van Perpetua, getiteld Passio sanctarum Perpetuae et Felicitatis, is bewaard gebleven. Een manuscript van deze lijdensgeschiedenis (passie) werd ontdekt in de zestiende eeuw door de Duitse filoloog Lucas Holstenius. Lange tijd dacht men dat Tertullianus de auteur was, maar nu weet men dat het een autobiografisch verslag is, geschreven door de martelares Perpetua zelf, terwijl de bijzonderheden van de terechtstelling later door anderen zijn toegevoegd. Het was zeer ongebruikelijk in de vroegchristelijke wereld dat een vrouw zelf haar gedachten op papier zette; dit maakt het verhaal van Perpetua zo bijzonder. Het is een van de oudste christelijke teksten geschreven door een vrouw.

Augustinus van Hippo († 430) wijdde drie preken aan Perpetua en haar mede-martelaren. In de Roomskatholieke Kerk is een feestdag gewijd aan Perpetua en Felicitas: 7 maart, de dag van hun marteldood. Het bijgeloof heeft Perpetua verheven tot patrones van getrouwde vrouwen. Perpetua en Felicitas worden afgebeeld met een stier naast zich. Perpetua in de arena naar de hemel wijzend; Felicitas met een kruis in de hand en een kind op de schoot.

Gedicht van J. Klik

Over de martelaressen Perpetua en Felicitas schreef J. Klik het volgende gedicht (1924):

Septimus Severus, een heidense keizer
  Vervuld met zijn luister, zijn trots en zijn roof,
't Geweten versteend, en een hart als van ijzer
  Verwierp en verbood 't Evangelisch geloof.
Hieruit na ontstond toen het lijden en strijden
  Van honderden Christ'nen om Christelijke min,
En schoon ook gefolterd door 't hevigste lijden:
  Ze gingen met vreugde de eeuwigheid in.

Wel zwaar moest het Vivia Perpetua wezen,
  Haar vader te zeggen: „ik ben een Christin!"
Wel mocht zij haar heidense vader nog vrezen,
  Zijn haat en zijn toorn was verwoed in 't begin.
Maar toen ook, met welk een hemelse luister
  Sprak zij hem van Jezus, de hemelse Heer,
Ze bood hem het licht voor het heidense duister
  En knielde aan zijn voeten recht kinderlijk neer.

Wat droefheid, die eenzame kerkermuren,
  Zij openen haar thans een akelig verschiet.
Om Christuswil zal zij dit alles verduren,
  Ja alles, maar toch, o! dit ene slechts niet....
Ze is moeder, haar kind hier aan 't harte te drukken,
  O, dat het zo zijn mocht als 't Gode behaagt,
Haar kind aan haar boezem, als dat mocht gelukken,
  Dat is het wat zij in vertwijfeling vraagt.

Wat kracht des geloofs, om dan nog te hooren,
  Hoe knielend en biddend haar vader haar vraagt:
Mijn kind! wil u toch aan geen Christenen storen
  Opdat gij de goden uws vaders behaagt.
Denk toch om uw kind, en om u, en uw vader,
  Denk toch om uw kind en blijf leven voor hem,
Wat is u mijn dochter, o zeg mij, nog nader ?
  Zo smeekt hij, de vader, met nokkende stem.

Vanwaar toch de kracht om nog steeds te volharden,
  Vanwaar nog die weig'ring, trots droefheid en smart
En als men haar vader om harentwil geselt,
  Gaat dat ook niet haar als een gesel door 't hart?
Toch stelt zij op Hem nog haar volle vertrouwen,
  Noch rechter, noch afgod heeft meer op haar macht.
Haar keuze, ze weet het, zal nooit haar berouwen,
  In Jezus, in Jezus alleen, vindt zij kracht.

Zij staat niet alleen in het folterend lijden,
  Een troost heeft ze nog in haar eed'le vriendin,
Te zamen in lijden, in bidden en strijden,
  Gaan zij ook samen de eeuwigheid in.
Geloofsmoed bezielt ze, zij willen niet treuren,
  Zij richten naar boven hun hart en hun stem,
Straks zullen de tijgers het lichaam verscheuren,
  Maar dan gaan ze eeuwig en zalig tot Hem.

Bron: J. Klik, Lichtbaakjes; berijmde spreekwoorden (Helder: 1924), blz. 17-18. De spelling is een beetje gemoderniseerd door Kees Langeveld op 4 juni 2016.

Meer informatie

Amerikaanse aalmoezeniers van het leger inspecteren de ruïnes van de Romeinse arena in Carthago (Tunesië, 1943), waar christelijke martelaren aan de wilde dieren werden overgeleverd. Op de muur staan de namen van Perpetua en Felicitas.

Vincent Hunink, Elisabeth van Ketwig Verschuur en Arie Akkermans, Eeuwig geluk. De passie van de vroeg-christelijke martelaressen Perpetus en Felicitas & Drie preken van Augustinus. Meinema, 2004. Pagina's: 88. De tekst van de Passio Perpetuae et Felicitatis is hier opnieuw in het Nederlands vertaald. Verder bevat deze uitgave drie preken van Augustinus, die de kerkleraar heeft gehouden op de feestdag van de martelaressen. Zij zijn voor hem een symbool voor 'eeuwig geluk'. Zie http://www.vincenthunink.nl/perpetua.htm

Jan de Liefde, Damaskus en eenige andere verhalen (1887), blz. 7v over 'Perpetua en Felicitas'.

Perpetua and her compagnions, martyrs at Carthage, Justus.Anglican.org, Bevat enkele fragmenten uit het verslag in het Engels.

Bronnen

Heiligen.net Geraadpleegd op 4 juni 2016.

Perpetua en Felicitas, Wikipedia.nl. Tekst hiervan is verwerkt op 4 juni 2016.