Prehistorie/Nabije Oosten en Europa

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De prehistorie van het Nabije Oosten en Europa wordt hieronder geschetst.

Over de prehistorie in het algemeen, zie Prehistorie.

Onderstaand globaal overzicht is het resultaat van een poging om op grond van Bijbelse informatie tot een geschiedenis van de mensheid te komen. We maken de volgende indeling:

  1. schepping tot zondvloed (Gen. 1-6), een periode van ongeveer 1656;
  2. Zondvloed tot alpiene gebergtevorming, een periode van ongeveer 400 jaar;
  3. Alpiene gebergtevorming tot de torenbouw van Babel, een periode van 250 jaar;
  4. Torenbouw van Babel tot Peleg, een periode van bijna 800 jaar.

Schepping tot zondvloed

De geschiedenis van de mens in de periode van schepping tot zondvloed wordt in de Bijbel beschreven in Genesis 1-6.

Tijdsduur. De tijd van de schepping tot de zondvloed (Gen. 1-6) is een periode van ongeveer 1656 jaar.

Schepping en zondeval van de mens. De schepping laat ons Gods liefde, almacht en wijsheid zien. De mededelingen over de schepping vormen de grondslag van een christelijke antropologie. De Goddelijke Openbaring informeert de mens over zijn afkomst en zijn bestemming. De mens is niet los te denken van het gegeven dat hij door de schepping in een Schepper-schepsel-relatie geplaatst is, dat hij naar Gods Beeld geschapen en voor God verantwoordelijk is voor wat hij doet. Deze bijzondere relatie wordt gekenmerkt door liefde en aanbidding.

De mens is goed geschapen, maar helaas in zonde gevallen. God echter openbaart de zondige mens dat Hij hem wil verlossen van eeuwige straf door het geloof in Zijn Zoon Jezus Christus als enig redmiddel. Deze Goddelijke bekendmaking sluit alle andere verlossingsideeën uit.

Datering van de schepping. Wat de datering van de schepping betreft, past terughoudendheid. De Bijbel geeft aan dat de periode van schepping tot zondvloed 1656 jaar beslaat. De gangbare Bijbelvertalingen zijn overeenkomstig de Masoretische tekstbron. De Masoreten hadden zich ten doel gesteld de oorspronkelijke tekst van de Heilige Schrift zo zuiver mogelijk te bewaken.

Een andere bron zou de Septuaginta (de antieke Bijbelvertaling in het Grieks) kunnen zijn. Op vele punten is de herkomst en de bron waarop deze vertaling rust, onduidelijk en omgeven met legendes.

Men kan voorzichtig stellen dat de schepping van het leven volgens de Bijbel niet meer dan 8000 jaar geleden plaats vond. Zie Chronologie: Noach tot Abraham.

Zondvloed tot alpiene gebergtevorming

Periode. Wij dateren hier de zondvloed op 4066 voor Christus. De tijd van de zondvloed tot de alpiene gebergtevorming is een periode van ongeveer 400 jaar.

Geologische / archeologische tijdperken[1]
    • CENOZOÏCUM (66,0 milj. - heden)
      • K w a r t a i r: (2,588 milj. - heden)
        • Holoceen (11.700 jr. - heden)
          Chronozones van het Holoceen:
          • Subatlanticum (2.400 - heden)
          • Subboreaal (5.660 - 2.400 jr)
          • Atlanticum (9.220 - 5.660)
          • Boreaal (10.640 - 9.220 jr)
          • Preboreaal (11.650 - 10.640 jr)
        • Ander indeling van het Holoceen:
          • Historische tijd
          • IJzertijd
          • Bronstijd
          • Neolithicum of Nieuwe Steentijd
            • Koper(steen)tijd
              (Chalcolithicum)(5500 - 3300 v.C.)[2]
              • Laatchalcolithicum
              • Middenchalcolithicum
              • Vroegchalcolithicum
            • Laatneolithicum
            • Keramisch (of midden-)neolithicum
            • Prekeramisch (of vroeg-)neolithicum
          • Mesolithicum, Epipaleoliticum of Middensteentijd
        • Pleistoceen (2,5 milj. - 12.000 jr.)
      • T e r t i a i r (66,0 - 2,588 milj.)
        • Neogeen: (23,03 - 2,588 milj.)
          • Plioceen (5,333 - 2,588 milj.)
          • Mioceen (23,03 - 5,333 milj.)
        • Paleogeen: (66,0 - 23,03 milj.)
          • Oligoceen (33,9 - 23,03 milj.)
          • Eoceen (56,0 - 33,9 milj.)
          • Paleoceen (66,0 - 56,0 milj.)
    • MESOZOÏCUM (252,2 - 66,0 milj.)
      • Krijt (145 - 66 milj.)
      • Jura (201,3 - 145 milj.)
      • Trias (252,2 - 201,3 milj.)
    • PALEOZOÏCUM (541 - 252,2 milj.)
      • Perm]] (289,9 - 252,2 milj.)
      • Carboon (358,9 - 289,9 milj.)
      • Devoon (419,2 - 358,9 milj.)
      • Siluur (443,4 - 419,2 milj.)
      • Ordovicium (485,4 - 443,4 milj.)
      • Cambrium (541 - 485,4 milj.)
    • NEOPROTEROZOÏCUM (1000 - 541 milj.)
    • MESOPROTEROZOÏCUM (1600 - 1000 milj.)
    • PALEOPROTEROZOÏCUM (2500 - 1600 milj.)

De Bijbel beschrijft ons de zondvloed als een wereldomvattende catastrofe (een cataclysme). Gezien zijn omvang en geweld mag verondersteld worden dat tijdens de vloed wereldwijd de eerste aardlagen zijn ontstaan. Men kan deze tijd daarom vergelijken met het geologische hoofdtijdperk van het paleozoïcum.

Overlevenden. De enige mensen die de vloed overleefden zijn de arkbewoners geweest.

Ararat. Toen het water zakte bleek de ark vast te zitten ergens in het Araratgebergte. Het is goed denkbaar dat met de in de Bijbel genoemde berg Ararat (Gen. 8:4) hetzelfde gebergte wordt bedoeld als heden. Vele andere gebergten uit de regio bestonden nog niet of bevonden zich in een stadium van ontwikkeling. De Ararat als vulkanisch gebergte bestond mogelijk reeds voor de vloed en was voor de arkbewoners herkenbaar.

Ligging van het paradijs. Dankzij dit vast oriëntatiepunt konden de arkbewoners de ligging van het verloren paradijs aangeven (Gen. 2:8-14).

Ge 2:8 Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had. Ge 2:9  En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en de boom der kennis des goeds en des kwaads. Ge 2:10  En een rivier was voortgaande uit Eden, om dezen hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden. Ge 2:11  De naam der eerste [rivier] [is] Pison; deze [is] [het], die het ganse land van Havila omloopt, waar het goud [is]. Ge 2:12  En het goud van dit land [is] goed; daar [is] [ook] bedólah, en de steen sardónix. Ge 2:13  En de naam der tweede rivier [is] Gihon; deze [is] [het], die het ganse land Cusch omloopt. Ge 2:14  En de naam der derde rivier [is] Hiddékel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier [is] Frath. (SV)

Hun bevinding is als een soort getuigenis van het feit dat er een paradijs is geweest. Het nazondvloedse getuigenis aangaande de vier rivieren (Gen. 2:11-14) staat als een toelichting bij vers 10. Mogelijk heeft Mozes het getuigenis gekend en het bij de samenstelling van het boek Genesis aan vers 10 toegevoegd. Misschien zou ook Mozes zelf vanwege latere geologische gebeurtenissen, waaronder de alpiene gebergtevorming en gebeurtenissen bij de geboorte van Peleg, zelfs met behulp van deze informatie uit Genesis het paradijs niet meer hebben kunnen vinden.

Na de zondvloed. De periode na de zondvloed (vergelijkbaar met het mesozoïcum) moet geologisch nog lange tijd onrustig zijn geweest. Van veel daarvan moeten de eerste bewoners geen weet hebben gehad. Waar nu centraal Europa ligt met bergketens als de Alpen en de Karpaten, bevond zich na de vloed een zee-arm van de Tethyszee. Bij iedere aardschok zullen grote hoeveelheden sediment in beweging gebracht zijn en de diepere delen van deze zee gevuld hebben.

Gebergtevorming. We gaan uit van de gedachte dat aan het eind van de hier boven genoemde periode van 400 jaar met geweld dit sediment naar boven werd gedrukt, uiteraard niet zomaar in een keer, maar schoksgewijs. Het gevolg daarvan was een orogenese, een gebergtevorming, bekend als de alpiene orogenese. Er ontstond een lange keten van gebergten van de Pyreneeën tot de Himalaya. Deze gebergtevorming willen we vergelijken met de tertiaire cataclysmen van de geologie (zie Zondvloed en gebergtevorming en Chronologie: Noach tot Abraham). De hieronder genoemde informatie heeft betrekking op de periode vóór deze orogenese.

Verspreiding van de mensen. De eerste mensen na de vloed moeten aanvankelijk in de omgeving van de Ararat gewoond hebben en van daar uit groter gebied verkend hebben. Men zal ook keuzes gemaakt hebben tussen verschillende bronnen van bestaan, variërend van sedentair (vaste woonplaats hebbend) tot nomadisch (rondtrekkend met kudden). Waarschijnlijk hebben in deze periode van 400 jaar families hun bestaan gevonden in de jacht en het verzamelen van voedsel. Zij zijn de eerste verkenners geworden van de uitgestrekte en onbewoonde gebieden in Europa, Azië en Afrika. Daarbij zijn ze voor de 'blijvers', die een vaste woonplaats hadden, volledig uit beeld geraakt en uit beeld gebleven; over hen hieronder meer.

Menselijke resten, van hoge ouderdom en waarschijnlijk behorend tot deze periode van 400 jaar, zijn gevonden te Shanidar (Noord-Irak) en te Karmel (Israël). In de Karmel zijn als vindplaats de grotten te Mugharet es-Skhul, Mugharet et-Tabun, Mugharet al-Kabara en Jebel Qafzeh bekend geworden. De cultuur van deze mensen wordt gerekend tot het vroeg- en middenpaleolithicum van het Nabije Oosten (Oude Steentijd). De schedels laten zowel kenmerken zien van de moderne mens als van het neanderthaler type.[3]

Neolitische cultuur. Nog voor het einde van deze periode van 400 jaar is de culturele ontwikkeling van bewoners die overwegend een vaste woonplaats aanhielden neolitisch te noemen. Men spreekt dan van het neolithicum van het Nabije Oosten (nieuwe steentijd). Er gingen zich zelfs enkele grotere leefgemeenschappen (noem het steden) ontwikkelen, zoal Jarmo of Jericho IX. Met Jericho IX bedoelt men de onderste en oudste bewoningslaag van de oude stad, ontdekt in 1953. In Turkije kwam de neolithische stad Catal Hüyük (ontdekt in 1961 in Anatolië) tot grote bloei. In 1967 vond men aan de Donau de stad Lepenski Vir. Ze bestond uit een grote verzameling hutten.

Jagers en vuistbijlculturen. Ongetwijfeld zijn er dus gelijktijdig jagende families richting Europa getrokken. Naar het noorden toe zullen ze gestoten zijn op de Tethyszee. De eerste bewoners in Europa zullen jagers zijn geweest. Ze hebben in het woeste en geologisch onrustige Europa een grote hoeveelheid aan wild (waaronder oerolifanten, paarden en neushoorns) en plantaardig voedsel gevonden. Van hen zijn de gevonden vuistbijlen afkomstig. Hoewel niet altijd duidelijk is of de bijlen door de natuur zelf of door mensenhand gemaakt zijn, zijn andere exemplaren duidelijk door de mens zelf gemaakt.

Deze vuistbijlcultuur heeft zich ontwikkeld tot verschillende tradities die zich zelfs waarschijnlijk nog gehandhaafd hebben tot na de alpiene gebergtevorming. De onderscheiden tradities zijn genoemd naar een van hun vindplaatsen. Men onderscheidt onder andere het Abbevillien, het Chelléen en het Acheuléen (naar de plaatsen Abbeville, Chelles bij Parijs en Saint-Acheul in het Sommedal in Frankrijk). In Engeland, Frankrijk, België en Duitsland vond men vuistbijlen die men rekent tot het Clactonien (naar Clacton-on-Sea in Engeland). Te Dmanisi in Zuid Georgië vond men beenderresten van zeer hoge ouderdom.

Omdat de jagersgemeenschappen klein en mobiel waren en geïsoleerd van elkaar leefden, hebben ze zich wel gespecialiseerd in jachttechnieken, maar hebben niet het culturele niveau van het neolithicum bereikt. Zij waren de dragers van het vroegpaleolithicum van Europa. De archeologie plaatst de vuistbijlculturen aan het eind van het midden-pleistoceen, tevens het einde van de Riss/Saale ijstijd. Van de gebruikers van deze vuistbijlen zijn weinig beenderresten gevonden. Wel vond men te Swanscombe (aan de Theems) en te Steinheim (aan de Murr in Duitsland) schedelresten van een redelijk modern uiterlijk. Ze leefden hier in Europa reeds voor de komst van de neanderthalermensen en worden gerekend tot de Homo sapiens erectus-mensen. Ook bij het Meer van Galilea en het Hulumeer (Ubeidiya en Gesher Benot Ya'aqov) zijn enkele tanden en vooral artefacten (gebruiksvoorwerpen) gevonden van de Homo sapiens erectus. Daaruit blijkt dat hij al jagend via het Midden-Oosten naar het zuiden is getrokken. De dragers van deze vuistbijlculturen in Europa en het Midden-Oosten worden gerekend tot het ras van Heidelbergmensen.

IJstijden? Het is de vraag of de verschillende ijstijden, voorafgaande aan de Würm ijstijd, wel bestaan hebben. De wetenschap heeft algemeen het idee van ijstijden omarmd om daarmee vele opvallende landschappelijke kenmerken te verklaren (kliffen, wallen, duinen of zandverstuivingen, grote stenen). Het zouden gigantische gletsjers zijn geweest, die zich over grote afstanden horizontaal verplaatsten en voor deze landschapselementen verantwoordelijk waren. Rehwinkel[4] heeft er op gewezen dat gletsjers zich zonder de stuwende kracht vanuit de hoger gelegen delen in de bergen niet over grote afstand kunnen bewegen. Ook is hij van mening dat primair gedacht moet worden aan water en niet aan ijs als landschapvormende oorzaak. Het artikel Zondvloed en gebergtevorming laat zien dat het ontstaan van de Alpen gepaard is gegaan met omvangrijke waterverplaatsingen. De mensen van Swanscombe hebben (naar men algemeen beweert) tijdens het Mindel-Riss interglaciaal geleefd[5] C. Arambourg zegt hierover[6] dat de eerste ijstijden nog steeds weinig verandering aan het warme klimaat hebben gebracht, gelet op de botten die gevonden zijn van olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen en beren, runderen en herten. Ook planten als de vijg, de laurier, rodondendron en de buksboom waren algemeen. We kunnen daarom mogelijk eerder spreken over heftige, kort durende klimaatschommelingen.

Alpiene gebergtevorming tot torenbouw van Babel

Periode. Deze periode wordt hier gedateerd van ca. 3650 v.C., toen het alpiene gebergte gevormd werd, tot ca. 3400 v.C., toen de torenbouw van Babel mislukte - een periode van 250 jaar.

Alpiene gebergtevorming. Hoewel de alpiene gebergtevorming zijn begin had tijdens de zondvloed met het volstorten van de diepe delen van de Tethyszee, bleek eerst met het naar boven komen van het sediment dat de alpiene orogenese begon (ca 3650 v. Chr.). Daarbij bleek al direct de dodelijke combinatie met het zeewater van de Tethyszee. Bij iedere schok kwam het water in beweging, met alle gevolgen van dien. Bij iedere schok kon het omliggende land zich verheffen of dalen. Waarschijnlijk heeft men in de vlakte van Sinear gemeend veilig te zijn voor al het geweld. Ook de bewoners van Europa zullen een veilig bestaan gezocht hebben.

Sinear. Met de komst van de vele immigranten in Sinear begon het vroegchalcolithicum (de vroege kopersteentijd) met de cultuur van Hassuna. Wat betreft het verblijf in de vlakte van Sinear betreft, zie Sinear en de torenbouw van Babel. De dragers van de Hassuna-cultuur zijn getuige geweest van een grote toestroom van immigranten. Hassuna droeg nog neolithische kenmerken, maar dat ging veranderen door de komst van de vele nieuwkomers. Op de cultuur van Hassuna volgden andere culturen: Halaf (Noord-Mesopotamië) en Samarra (Zuid-Mesopotamië). De dragers van deze laatste culturen zijn waarschijnlijk getuige geweest van de torenbouw.

Egypte. Gelijktijdig met de cultuurdragers van Hassuna, Samarra en Halaf leefden in Egypte dragers van de Tasische cultuur (genoemd naar het dorp Deir Tasa, in de buurt van Fajum in het noordelijk deel van Midden-Egypte).

Europa. Mensen met neanderthaler-kenmerken gingen in die tijd nieuwe gebieden verkennen in Europa. Voortdurend op zoek naar de beste jachtgronden konden jagersvolken binnen korte tijd lange afstanden afleggen. Ze hebben misschien het gevaar op de koop toe genomen. Aan de rand van het water en in de vruchtbare dalen werd immers het meeste wild gevonden. Zowel in Europa (als in Azië, zie hierna) zal geen gebied onverkend zijn gebleven. Neanderthalers woonden daarom redelijk verspreid over Europa. Belangrijke vindplaatsen in Europa van gebeente van neanderthalers zijn Neandertal in Duitsland, Spy in België, La-Chapelle-aux-Saints, Le Moustier en La Ferassie in Frankrijk, Monte Circeo in Italië en Krapina in Kroatië.

Klimaat. Hoewel de gebergtevorming in Europa het klimaat danig had veranderd, bleef het noordelijk van de Alpen aanvankelijk nog leefbaar. Met de komst van de neanderthaler begon in Europa het middenpaleolithicum. De paleoantropologie plaatst de neanderthaler en het middenpaleolithicum in de tijd van het Riss-Würm interglaciaal, het Würm I stadium en het Würm I/II interstadium (volgens de gangbare mening van 75.000 tot 35.000 jaar geleden). Met het Würm-I stadium wordt een ijstijdperiode bedoeld. Waarschijnlijk bevond Europa zich tussen 3650 v. Chr. en 3400 v. Chr. in een overgangsfase van een warm klimaat naar een koud klimaat. Koud ging het pas duidelijk worden na het mislukken van de torenbouw. Er is reeds eerder aangegeven dat de veronderstelling van de aanwezigheid van ijstijden in het verleden ter verklaring van onze landschappelijke kenmerken niet noodzakelijk is. Het Riss-Würm interglaciaal en het Würm I/II interglaciaal vormen bij elkaar een periode met redelijk normaal weer.

Het zijn niet alleen jagende bevolkingsgroepen geweest die Europa gingen verkennen, op zoek naar jachtgronden. Ze werden gevolgd door kleine sedentaire groepjes, die op zoek gingen naar geschikte grond voor de verbouw van voedsel. Hun oorspronkelijk gebied is, naar het lijkt, de regio van Jericho IX geweest. Ze worden genoemd naar de vindplaats van hun cultuur wadi-an-Natuf. De Natufiërs waren de dragers van de Natufische cultuur, het Natufien. Deze landbouwers trokken langs de Middellandse-Zee kust tot in Noord Afrika. Uit hen is het Mechta volk (naar Mechta een vindplaats in Algerije) voortgekomen met hun Capsien cultuur (naar de vindplaats Capsa). De Mechta mensen staan aan de basis van het graciele meer donkere Mediterrane ras en het Berberide ras. Natufiërs zijn ook naar het noorden, richting Libanon en verder, getrokken. Daaruit zou het meer licht getinte Dalide ras van Noord-West Eurpa zijn voortgekomen. Jericho IX werd echter verwoest in de tijd dat men naar Sinear trok en Jericho VIII verrees op haar puinhopen.

Azië. Soortgenoten van de neanderthaler waren misschien eerder reeds dieper Azië binnen gedrongen. Ook daar, mogelijk nog heftiger dan in Europa, gezien de omvang van het gebied met zijn vele bergketens, werden ook zij geconfronteerd met de ernstige gevolgen van de orogenese. Te Chou Kou Tien (Peking) zijn in een grot de resten van een neanderthaler type mens (pithecanthropus pekinensis, ook wel sinanthropus genoemd) gevonden, samen met een ongeordende hoeveelheid beenderen van dieren. De aarde waarin zij zich bevonden, bleek samen met de beenderen door water daar te zijn afgezet. De gevonden resten zijn afkomstig van mensen en dieren die dood of levend door het water meegevoerd zijn. De Pekingmens (zo wordt hij genoemd) is waarschijnlijk slachtoffer geworden van een tsunami.

Torenbouw van Babel tot Peleg

Periode. Deze periode wordt hier gedateerd van ca. 3400 v.C., de mislukking van de torenbouw te Babel, tot 2659 v.C., de geboorte van Peleg, een periode van bijna 800 jaar.

De torenbouw te Babel eindigde doordat de HEERE door een totale verwarring in woordgebruik alle samenwerking onmogelijk maakte. Het kon bijna niet anders of dat leidde tot een totale miscommunicatie. De verwarring en onenigheid moet groot zijn geweest, zo niet gevaarlijk. Nimrods' dictatuur kon de eenheid niet meer waarborgen. De gemeenschap explodeerde. Aan het vroegchalcolithicum kwam een eind en het middenchalcolithicum begon (zie Mesopotamië na de torenbouw van Babel).

Klimaatverandering. In verband met de mislukking van de torenbouw te Babel spreekt de Bijbel niet direct over een geologische catastrofe. Het valt wel op dat de bewoningslaag van Jericho VIII werd bedolven onder een kleilaag. Er was waarschijnlijk een enorme hoeveelheid water door het Jordaandal gespoeld, ook al behoefde dat niet per definitie op hetzelfde moment te zijn geweest als de spraakverwarring. In het Nabije Oosten werd het klimaat beduidend natter.

Jaren geleden Subserie Tijdvak Periode Era Eon
heden - 11.700 jr Holoceen Kwartair Ceno
-zoïcum
Fanero
-zoïcum
11.700 - 126.000 jr Bovenpleistoceen
(Laatpleistoceen)
Pleistoceen
126.000 - 781.000 jr Middenpleistoceen
781.000 - 2,58 jr Onderpleistoceen
Gangbare geologische indeling en jaartelling[7]

Ook is het aannemelijk dat het klimaat ten noorden van de Alpen duidelijk kouder werd. De Alpen kregen meer en meer hun huidige vorm en vormden een bepalende factor in het Europese klimaat. De Tethyszee strekte zich fragmentarisch uit over grote delen van het laagland ten noorden van de Alpen, ruimschoots op afstand van de bewoonde wereld. Europa ten noorden van de Alpen ging een lange periode van koude tegemoet. Met de koudeperiode na de neanderthaler cultuur en na het mislukken van de torenbouw bevond Europa zich in het Midden- en Late-Würm (volgens gangbare mening 35.000 tot 9.000 jaar geleden) gedurende een deel van het laatpleistoceen. Het leven voor mens en dier vroeg om een sterke mate van aanpassing. Er vond een trek naar het zuiden plaats. Vooral ook als gevolg van de gebeurtenissen in Mesopotamië kwamen bevolkingsgroepen Europa verkennen.

Culturen in Europa. De neanderthalers in het noorden van Europa zullen ongetwijfeld geconfronteerd zijn geweest met koude en misoogsten. Misschien hebben ze ook nieuwe jachttechnieken moeten ontwikkelen door de aanwezigheid van nieuwe diersoorten uit het hogere noorden. Hun soortgenoten in Zuid-Europa hebben zich beter kunnen handhaven, althans wanneer zij niet werden verdreven door nieuwkomers. In Frankrijk ontwikkelde zich een nieuwe cultuur (het Châtelperronien) die nog veel kenmerken had van het Mousterien van de neanderthaler. De nieuwkomers hadden niet de kenmerken van de neanderthaler, maar alle kenmerken van de huidige mensenrassen en worden naar een van de vele vindplaatsen genoemd (de Cro-Magnon mens). Rond de Franse stad Les Eyzies aan de rivier de Vézère ontstond later de bekende grotcultuur van Aurignac-mensen (het Aurignacien). Vervolgens verschenen in Europa dragers van diverse culturen, waarvan de bekendste zijn het Gravettien (bekend om zijn Venus-figuurtjes), het Solutrien (bekend om zijn bladvormige speerpunten; in het Engels, internationaal: 'leaf-shaped points') en het Magdalénien  (bekend om zijn grotkunst). Enkele van deze culturen hebben gedeeltelijk naast elkaar bestaan.

Het blijft wat raadselachtig waar deze culturen hun oorsprong hadden. Ze hadden een jagerstraditie en kwamen uit het oosten van Europa, misschien zelfs uit Azië. Ze hadden zich namelijk verspreid over grote delen van Europa. Nederland kreeg aanvankelijk bezoek van mensen wier cultuur zich kenmerkte door het gebruik van bladvormige stenen spitsen, die zij gebruikten als messen, dolken of speerpunten. Ze leefden waarschijnlijk vooral van rendieren. Na enige tijd waren ze weer verdwenen. Men denkt dat de cultuurdragers van de Bladspits Groep naar het westen trekkende neanderthalers zijn geweest. Een deel van hen was in Engeland terecht gekomen. Engeland had een verbinding met het vasteland.

Wat betreft de Aurignacmensen heeft men ook gedacht dat zij via de Gibraltarbrug in Spanje en Frankrijk zijn terechtgekomen. Bij het ontstaan van de Pyreneeën en de Alpen werd de Middellandse Zee bij Gibraltar namelijk afgesloten.

Ook wordt gesproken over de cultuur van het Périgordien. Met deze cultuur wordt het Châtelperronien bedoeld. Zij die menen dat het Gravettien de voortzetting was van het Châtelperronien, hebben het Gravettien het Laat-Périgordien genoemd.  Anderen zijn van mening dat het Gravettien aansluit op het Aurignacien.

Aan het eind van deze lange koudeperiode van 800 jaar heeft zich in Frankrijk uit het Magdalénien het Azilien ontwikkeld, in Nederland hebben dragers van de Hamburgcultuur gewoond, bekend als de Tjongercultuur en Ahrensburgcultuur.

In het Oude Europa (ten zuiden van Boedapest aan de Tisza en de Donau, Bulgarije, Macedonië, Thessalië in Griekenland) vond een ware bevolkingsexplosie plaats en kwamen vooral met name de culturen van Starcevo, Impresso, Karanovo en Sesklo tot ontwikkeling.

Bronnen

S.G. de Graaf, Verbondsgeschiedenis I (Kampen 1952)

Tjarko Evenboer, De wereldwijde vloed; mythe of oergeschiedenis van de mensheid? (Hoornaar 2012)

Bill Cooper, Na de vloed; De geschiedenis van de Europese volken vanaf Noach (Amerongen 2008)

A.M. Rehwinkel, De zondvloed in het licht van de Bijbel, de geologie en de archeologie (Amsterdam 1971)

Rudolf Grahmann, De vroegste geschiedenis van de mens (Utrecht/Antwerpen 1961, Aula 61)

Grahame Clark, Algemene prehistorie (Utrecht/Antwerpen 1963, Aula 109)

Sigfried J. de Laet, De voorgeschiedenis van Europa (Amsterdam 1967)

Camille Arambourg, Het ontstaan van de mensheid (Utrecht/Antwerpen 1964, Aula 182)

Göran Burenhult (red.), De eerste mens; De geschiedenis en ontwikkeling van de mensheid tot 2000 v.C. (Rijswijk 2005)

Dick Stapert, Jaap Beuker, Lykke Johansen, Marcel Niekus, 'Bladspitsen en pogingen daartoe: souvenirs van de laatste Neanderthalers in Nederland.' In: Paleo-Aktueel 18: 21-31 (2007).

Voetnoten

  1. Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Geologische_tijdschaal
  2. Sommigen plaatsen de kopertijd na de nieuwe steentijd als een overgangsfase naar de bronstijd.
  3. Zie Wikipedia voor meer informatie hierover.
  4. A.M. Rehwinkel, De zondvloed in het licht van de Bijbel, de geologie en de archeologie (Amsterdam 1971)
  5. Sigfried J. de Laet, De voorgeschiedenis van Europa (Amsterdam 1967)
  6. Camille Arambourg, Het ontstaan van de mensheid (Utrecht/Antwerpen 1964, Aula 182)
  7. Zie Wikipedia.nl