Psalmen (boek)/Samenvattingen van de psalmen

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deze pagina geeft een samenvatting van het boek Psalmen (boek) per hoofdstuk.

Het boek der Psalmen wordt in vijf delen verdeeld, die eindigen met "Amen" of "Hallelujah". De indeling wordt niet in de Statenvertaling aangegeven, maar wel in de NBG51-vertaling.

Eerste boek der psalmen (Ps. 1-41)

Psalm 1. De wandel en gelukzaligheid van de rechtvaardige en het ellendige einde van de goddelozen.

Ps. 2. Opstand van de volken tegen de heerschappij van de Zoon, die God over Sion gezalfd heeft. Vermaning tot gehoorzaamheid aan de Zoon.  Ps. 3 David op de vlucht naar aanleiding van de opstand onder leiding van zijn zoon Absalom.

Ps. 4. David, benauwd door tegenstanders, bidt God om genadige verhoring en vermaant zijn tegenstanders tot bekering.

Ps. 5. Gebed van David aangaande de bozen en de rechtvaardigen, en om leiding van God (5:9).

Ps. 6. Een bedroefde en verschrikte David smeekt God om genade en dat hij verlost wordt van zijn onrechtvaardige tegenstanders. Hij vertrouwt erop dat God hem zal verhoren en dat zijn vijanden beschaamd zullen worden.

Ps. 7. David bidt om verlossing van zijn vijanden. Met name wordt genoemd de Benjaminiet Cusj. God zal richten, strijden en vergelden.

Ps. 8. Psalm van David. Gods naam is heerlijk op de aarde. God doet de mens heersen over Zijn werken.

Ps. 9. David dankt God dat Hij recht heeft gedaan en de vijandige heidenen en de goddeloze heeft verdaan. God zal de wereld oordelen en een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte.

Ps. 10. Gebed tegen de vervolging en verdrukking door de goddelozen. De dichter verlangt dat God zal recht doen.

Ps. 11. David wijst de goddelozen, die hem bedreigen, op de rechtvaardige God in de hemel. Hij vertrouwt God, die de mensenkinderen beproeft, de oprechten van hart aanschouwt en de goddelozen zal straffen met strikken, vuur, zwavel en een stormwind.

Ps. 12. David bidt om behoudenis tegenover een verworden geslacht, dat liegt, vleit en grootspraak heeft.

Ps. 13. David voelt zich tegenover zijn vijand vergeten door God. Niettemin vertrouwt hij op Gods goedertierenheid en heil.

Ps. 14. Van David. Alle mensen zijn afgeweken, niemand doet goed. David verlangt naar Gods verlossing van Israël.

Ps. 15. David beschrijft de kenmerken van degeen die bij God zal wonen.

Ps. 16. David, blijkbaar de dood nabij, bidt God om bewaring. God is zijn erfenis, de bron van vreugde en gelukzaligheid. God zal hem uit de dood opwekken.

Ps. 17. Een gebed van David, waarin hij zijn rechtvaardigheid betuigt en God smeekt om bevrijding, bewaring en bescherming tegen zijn doodsvijanden die hem omsingelen.

Ps. 18. Een lied dat David tot de HEERE gesproken had, nadat hij door zijn God was verlost van al zijn vijanden inclusief Saul. Davids leven liep gevaar, maar God daalde neer, verschrikte door natuurverschijnselen de vijanden, trok David op en redde en zo uit, om Davids gerechtigheid. Dan schenkt God hem de overwinning, verhoogt hem en maakt hem tot een hoofd der heidenen.

Psalm 19. Een psalm van David, waarin hij wijst op de hemelen die Gods eer vertellen (1-4), de zon (4-6) en de volmaakte wet en haar heilzame invloed (7-11), en God vraagt om bewaring (12-14).

Ps. 20. David wenst ons toe dat God, als wij benauwd zijn en tot Hem roepen, ons verhoort en geeft naar ons hart. God zal ons staande houden in de strijd.

Ps. 21. Van David. De koning is verblijd over Gods sterkte en heil. God heeft hem verhoord, gezegend, verhoogd. God zal de vijanden verteren door vuur.

Ps. 22. David, in verdrukking en doodsgevaar, smeekt God niet ver te zijn en hem uit te redden. Hij tekent zijn ellende en de omringende vijanden. God verhoort hem. Alle einden der aarde zullen die verlossing gedenken en zich tot Jahweh bekeren.

Ps. 23. David beschouwt God als een zorgzame Herder en zichzelf als verzorgd schaap. Nadat hij onder Gods hoede door een dal van de schaduw van de dood is gedaan, komt hij in het huis van Jahweh, waar Deze voor David een tafel toericht voor het aangezicht van diens vijanden en hem weldoet.

Ps. 24. Van David. De wereld en haar bewoners zijn van Jahweh. Die God zoeken en rein zijn, zullen op Zijn berg staan. De poorten moeten opengaan voor de Koning der ere, dat is Jahweh der legerscharen.

Ps. 25. David, benauwd door zijn vijanden, bidt God, op Wie hij vertrouwt, om leiding en vergeving en om verlossing voor hemzelf en Israël.

Ps. 26. David, in oprechtheid wandelend en op God vertrouwend, bidt om hem recht te doen en hem te verlossen.

Ps. 27. David, omringd door vijanden, wacht op Gods hulp en uitredding.

Ps. 28. David roept God aan om gehoor en hulp tegen boze mensen. Hij looft God om de verhoring en vraagt Hem om verlossing en zegen voor Zijn volk.

Ps. 29. David schildert Gods ontzagwekkende majesteit in het onweer af en wekt op, God eer te geven.

Ps. 30. David looft in dit 'lied der inwijding van Davids huis' (vers 1) zijn God, die hem heeft genezen en bij het leven heeft behouden.

Ps. 31. David, benauwd en verteerd door droefheid, roept God aan om redding uit de hand van zijn vijanden. Hij looft God, die door Zijn goedertierenheid hem verlost heeft, ‘mij voerende als in een vaste stad’ (vers. 22).

Ps. 32. Een onderwijzing van David over de vreugde van vergeven zonde en de noodzaak tot belijdenis van zonde. God bevrijdt en leidt.

Ps. 33. Een oproep om God vrolijk met snaarinstrumenten lof te zingen om Zijn deugden, scheppingsdaden, regering en hulp.

Ps. 34. Een lofpsalm van David, nadat God zijn ziel had gered, als hij zich bij de Filistijnse vorst Abimelek "als een waanzinnige gedroeg, zodat deze hem wegjoeg, en hij heenging." (vers 1)

Ps. 35. David bidt God vurig om te twisten met Davids twisters en te strijden met zijn bestrijders, die hem zonder oorzaak kwaad voor goed vergelden.

Ps. 36. David tekent de goddelozen en hun val. Hij prijst en bidt God om Zijn goedertierenheid en gerechtigheid.

Ps. 37. David onderwijst en sterkt de rechtvaardigen tegen de tijdelijke voorspoed en de vijandschap van de goddelozen.

Ps. 38. David zucht onder ziekte als gevolg van zijn overtredingen, terwijl zijn vijanden hem tegenstaan.

Ps. 39. David, door God gekastijd om de ongerechtigheid, neemt zich voor met zijn mond niet meer te zondigen en bidt dat de plaag van op hem wordt weggenomen.

Ps. 40. David spreekt van verlossing, na lang wachten. Zijn oorspronkelijk voornemen om Gods wil gehoorzaam te doen. Zijn boodschappen in een grote gemeente. Omgeven door vijanden en aangegrepen door zijn ongerechtigheden, roept Hij God ter hulpe aan. De psalm heeft een messiaanse strekking.

Ps. 41. David, ernstig ziek, spreekt de mens zalig die verstandig met de ellendige omgaat. Hij smeekt God om genezing en belijdt dat hij gezondigd heeft (vs. 6). Vijanden bezoeken hem en menen dat hij zal sterven. David vertrouwt God dat Hij hem zal bewaren.

Tweede boek der psalmen (Ps. 42-72)

Ps. 42. Een zelfonderwijzing van een bedrukte ziel, die naar God verlangt en zichzelf bemoedigt, terwijl zijn vijanden zeggen 'Waar is uw God?'.

Ps. 43. Aansluitend op de vorige psalm vraagt de dichter aan God om hem recht te doen en hem tot Zijn heiligdom te leiden.

Ps. 44. Een onderwijzing onder de Korachieten. Smeekbede tot God om 'ons', de verstrooide (vers 12) vromen, die de ganse dag gedood worden (vers 23) te verlossen van de tegenstanders.

Ps. 45. Een onderwijzing, een lied der liefde, van de Korachieten. Aangaande de goddelijke Koning, die in heerlijkheid en majesteit gezien wordt en zijn rijk vestigt. Voorts over de Koningin, haar metgezellinnen, en de zonen van de koning die tot vorsten over de hele aarde zullen zijn.

Ps. 46. Van de Korachieten. God is ons een toevlucht, een hoog vertrek en sterkte, wanneer we benauwd worden vanwege het geraas van de heidenen en de beroering van de natuur. God zal de oorlogen doen ophouden en verhoogd worden onder de heidenen.

Ps. 47. Van de Korachieten. Een triomfpsalm van Israël. Een opwekking om Gode te psalmzingen. Want Hij is een groot Koning der ganse aarde en brengt de volken onder Israël. Hij vaart op met gejuich en geklank der bazuin.

Ps. 48. Van de Korachieten. God woont in Zijn stad, Sion. Hij heeft de vergaderde vijanden afgeschrikt. Zijn roem is tot de einden der aarde.

Ps. 49. Van de Korachieten. Voor alle volken, geringen en aanzienlijken, rijken en armen. Vrees niet voor een rijke of machtige. Aanzienlijken moeten niet op hun goed vertrouwen. Zij vergaan als de beesten en kunnen niets meenemen. God zal mij uit het graf opwekken.

Ps. 50. Van Asaf (de eerste van zijn psalmen). God spreekt en verschijnt blinkende uit Sion ten gerichte. Hij spreekt tot de rechtvaardigen van zijn volk en tot de goddelozen. Gode dank offeren is meer dan slachtoffers aanbieden.

Ps. 51 Een boetepsalm van David, 'toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathséba was ingegaan' (vers 2).

Ps. 52. Een onderwijzing van David, toen de Edomiet Doëg aan Saul had gezegd dat David bij de hogepriester Achimelech was. David vertrouwt op Gods goedertierenheid. Hij bestraft Doëg en kondigt hem Gods oordelen aan.

Ps. 53. Een onderwijzing van David. De mensen zijn goddeloos. De werkers der ongerechtigheid zullen beschaamd worden. Dat de verlossingen van Israël uit Sion komen!

Ps. 54. Een onderwijzing van David, als de Zifieten aan Saul de verblijfplaats van David hadden bekendgemaakt.

Ps. 55. Een onderwijzing van David, een gebed in benauwdheid ten opzichte van zijn vijanden. Vermoedelijk gedicht in de tijd van de opstand van Absalom, met wie Achitofel, Davids raadsman, zich helaas had verbonden.

Ps. 56. Een 'kleinood' van David, als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. Tegenover zijn vele bestrijders zal hij op God vertrouwen, die hem gered heeft van de dood.

Ps. 57. Een 'kleinood' van David, als hij voor Saul vluchtte in de spelonk. Hij vertrouwt erop dat God hem zal verlossen.

Ps. 58. Een 'kleinood' van David. Hij spreekt een vergadering van onrechtvaardigen toe, tekent de goddelozen, bidt God om wraak en verwacht vrucht voor de rechtvaardige.

Ps. 59. Een 'kleinood' van David, toen Saul gezonden had om Davids huis degenen die zijn huis bewaken zouden om hem te doden. David smeekt om redding, bidt om wraak voor zijn vijanden, waartegenover hij zijn vertrouwen op God stelt en Hem dankbaarheid belooft.

Ps. 60. Een 'kleinood' van David, een overwinningslied, toen hij met Gods hulp de Arameërs overwonnen had en Joab de Edomieten.

Ps. 61. David bidt om bescherming. Hij vertrouwt dat God zijn leven en koninklijke heerschappij zal verlengen; profeteert van de Messias en diens rijk.

Ps. 62. David zwijgt voor God, want van Hem is zijn verwachting, tegenover zijn vijanden.

Ps. 63. David, in de woestijn, verlangt naar God, die Hem ondersteunt. Zijn vijanden zullen omkomen.

Ps. 64. David bidt om verberging tegen zijn vijanden, die hem met boze woorden belagen. God zal hen met een pijl schieten en alle mensen zullen vrezen en Gods werk verkondigen.

Ps. 65. Een lofzang van David. 'U hoort het gebed, tot U zal alle vlees komen'. God zal in gerechtigheid antwoorden. Hij verzoent onze overtredingen. Hij is het Vertrouwen van de einden der aarde. Hij zet de bergen vast, stilt de zeeën en zegent het land rijkelijk.

Ps. 66. David wekt de mensheid op God te psalmzingen en te eren om zijn ontzaglijke werken en heerschappij. God had het volk Israël beproefd, gelouterd en gered. David wil Hem uit dankbaarheid offeren. Hij getuigt dat God hem verhoord heeft.

Ps. 67. De dichter, wiens naam niet genoemd wordt, wenst en verwacht Gods zegen over 'ons'. De volken zullen zich verblijden en God loven, omdat Hij hen rechtvaardig zal oordelen en hen zal leiden.

Ps. 68. God zal de goddelozen doen vergaan. De rechtvaardigen zullen zich verblijden om Zijn gerechtigheden en barmhartigheden. Hij heeft zijn erfenis gesterkt. De boodschappers van goede tijdingen waren een grote menigte. God verstrooide de koningen. Hij zal wonen op de berg Sion. Zijn legermacht is groot. Hij is opgevaren naar de hemel en heeft de mensen gaven gegeven. God is onze zaligheid, ook tegen de dood. Hij zal zijn vijanden verslaan en neerwerpen aan onze voeten. De gangen van God in het heiligdom zijn gezien. Om Gods tempel te Jeruzalem zullen de koningen God geschenk toebrengen. God heeft de oorlogbeluste volken verstrooid. God rijdt in de hemel en geeft zijn stem. God geeft Israël sterkte.

Ps. 69. David, dodelijk bedreigd door zijn haters en vijanden, roept tot God om redding. Hij is zijn broeders een vreemde geworden. Smaad en schande bedekken hem. Het latere lijden van Jezus Christus komt naar voren. David bidt om Gods wraak over zijn vijanden. Hij verwacht Gods verlossing, voor zichzelf en voor Sion.

Ps. 70. David, ellendig en nooddruftig, smeekt God om verlossing van zijn vijanden. Hij bidt dat zijn vijanden beschaamd en de liefhebbers van Gods heil verblijd worden.

Ps. 71. Gebed om hulp en bevrijding van de vijanden. De oude dichter vertrouwt op God en looft Hem. Hij verwacht dat God hem zal levend maken, dat Hij God zal loven en dat zijn vijanden beschaamd zullen worden.

Ps. 72. Het laatste gebed van David, voor zijn zoon Salomo, opdat deze een rechtvaardig en barmhartig koning wordt, die de nooddruftigen en ellendigen verlost. Het gebed strekt zich uit en spreekt van de toekomstige Vredevorst en diens bestendige rijk en heerlijkheid.

Derde boek der psalmen (Ps. 73-89)

Ps. 73. Van Asaf. Bijna was hij, door zijn ellendige toestand te vergelijken met de voorspoed van de goddelozen, uit nijd ten val gekomen. Hij kwam tot inkeer toen hij "Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte." God is zijn deel in eeuwigheid.

Ps. 74. Voor Asaf. Een gebed om verlossing van de ellendigen en handelen tegen de vijanden, die de tempel en andere heiligdommen hebben verwoest en Gods naam lasteren.

Ps. 75. Voor Asaf. De ik-figuur is de aanstaande rechter. Hij verwijst naar de hoogste Rechter, God, die de goddelozen zal vernederen en straffen. De rechtvaardigen zullen worden verhoogd.

Ps. 76. Van Asaf. Hij roemt God, die te Jeruzalem, waar Hij woont, ten oordeel opstond, de vijand wonderdadig verslagen heeft, om de zachtmoedigen van het land te verlossen.

Ps. 77. Van Asaf. Hij roept tot God. In zijn benauwdheid en droefheid zocht hij Hem. Had God hem vergeten genadig te zijn? Hij herdacht Gods wonderen van ouds her, in het bijzonder Gods bevrijding van Israël uit Egypte. Dat geeft Asaf stof om Hem te loven.

Ps. 78. Een onderwijzing van Asaf. Hij verhaalt zijn volk uit het verleden van Israëls trouweloosheid en ongehoorzaamheid en van Gods wonderbaarlijke bemoeienis, tot het koningschap van David, die het volk verstandig heeft geleid.

Ps. 79. Van Asaf. Heidenen hebben de tempel verontreinigd, Jeruzalem verwoest en zeer veel bloed vergoten. Asaf bidt om redding en wraak.

Ps. 80. Van Asaf. Hij bidt dat God blinkend verschijnt om te verlossen en weder te brengen het geplunderde en treurende Israël, het volk dat er is om de Zoon des mensen.

Ps. 81. Van Asaf. Hij roept op, God vrolijk te zingen en de bazuin te blazen bij nieuwe maan. God heeft Israël verlost uit Egypte en beproefd in de woestijn. Israël was echter ongehoorzaam, waardoor Gods hulp en zegen zijn verhinderd.

Ps. 82. Van Asaf. God oordeelt de rechters ('goden') die onrechtvaardig oordelen. Tenslotte roept Asaf God op om het aardrijk te oordelen.

Ps. 83. Van Asaf. Hij bidt God om verscheidene met name genoemde volken, die Israël willen uitroeien, te verslaan, opdat zij God de Allerhoogste kennen.

Ps. 84. En psalm voor de Korachieten. De psalmist verlangt er sterk naar te zijn in de voorhoven van Gods huis. Welgelukzalig zijn zij die in Gods huis wonen. Welgelukzalig is de mens die op God vertrouwt.

Ps. 85. Een psalm voor de Korachieten. De misdaad van Israël is verzoend en de gevangenis van Jacob is gewend. De psalmist bidt om verder herstel en verwacht dat.

Ps. 86. Een gebed van David. Ellendig en benauwd door zijn vijanden, smeekt Hij, onder lofprijzing, God om bewaring en verlossing.

Ps. 87. Een psalm voor de Korachieten. Over de heerlijkheid van Sion, de stad Gods, en het voorrecht van hen, ook heidenen, die daarin geboren zijn.

Ps. 88. Een psalm voor de Korachieten, een onderwijzing van Heman de Ezrahiet. In zijn ellende, terneergedrukt, bij de doden gerekend, roept hij God aan.

Ps. 89. Een onderwijzing van Ethan de Ezrahiet. Hij looft God om zijn goedertierenheid en zijn trouw in het houden van zijn verbond met David. Hij looft Gods grootheid, macht en gerechtigheid. God heeft David verkozen, verhoogd en heerlijke dingen beloofd. Dan spreekt Ethan over de verwerping en smaad van David.

Vierde boek der psalmen (Ps. 90-106)

Ps. 90. Een gebed van Mozes. De eeuwige God is ons een toevlucht. De mens is vergankelijk; zijn leven is moeitevol en vliegt heen, door Gods verbolgenheid over de ongerechtigheden. Mozes bidt God om Zijn goedertierenheid te betonen over zijn knechten.

Ps. 91. Wie bij God schuilt wordt bewaard, mede door de dienst van engelen, in een tijd van de vergelding der goddelozen, een tijd van schrik en strik, pest en pijl, van vele slachtoffers. Hij zal treden op leeuw, adder en draak. God zal hem uithelpen, verheerlijken en lang doen leven.

Ps. 92. De psalmist, een gezalfde, wenst dat God met muziek geloofd wordt om Zijn goedertierenheid, trouw en werken. De goddelozen, ook al bloeien zij, zullen vergaan. Maar de psalmist verwacht dat God hem zal verhogen. De rechtvaardige zal opwassen. Zij die in Gods huis geplant zijn zullen groeien en lang vruchtdragen.

Ps. 93. Jahweh regeert, met hoogheid en sterkte. De wereld zal niet wankelen. Uw troon is bevestigd. Jahweh is geweldiger dan het het bruisen van grote wateren.

Ps. 94. De psalmist bidt dat de God der wraken, de Rechter der aarde, blinkend zal verschijnen en aan de trotse goddelozen, die Zijn volk verdrukken en de kwetsbaren doden, hun ongerechtigheid zal vergelden. De psalmist getuigt dat God hem persoonlijk heeft ondersteund en bewaard.

Ps. 95. Een opwekking om Gode lof te zingen, vanwege zijn grote macht in de schepping, en Hem, de Herder van Zijn volk, te aanbidden. Oproep van God om ons hart niet te verharden gelijk Israël eertijds in de woestijn heeft gedaan en daarom Gods rust niet is ingegaan.

Ps. 96. Een opwekking om God lof te zingen en te eren, vanwege zijn wonderen, heil, grootheid, verhevenheid boven de goden. Hij regeert en komt om de wereld te richten met gerechtigheid.

Ps. 97. Een opwekking tot blijdschap, omdat God, de Allerhoogste, regeert en oordeelt in gerechtigheid en zijn gunstgenoten redt en bewaart.

Ps. 98. Een opwekking om God een nieuw lied te zingen, omdat Hij zijn heil heeft bekendgemaakt en zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen. Hij heeft aan Israël gedacht. Al de einden der aarde hebben Zijn heil gezien. Hij komt om de volken rechtvaardig te richten.

Ps. 99. Jahweh regeert. Hij heeft recht gedaan in Jakob. Hij is groot in Sion en hoog boven alle volken. Verheft Hem, die heilig is, en buigt u neer voor Zijn voetbank.

Ps. 100. De ganse aarde wordt opgewekt om Jahweh te juichen en Hem met blijdschap te dienen en te loven. Hij is God, Hij heeft ons gemaakt, Hij is goed en trouw.

Ps. 101. Van David. De koning beschrijft hoe hij zich inwendig en uitwendig zal verhouden tot goed en kwaad, tot goddelozen en getrouwen.

Ps. 102. Een gebed van een verdrukte en eenzame, misschien een gevangene (vs. 21). De tijd is gekomen dat God zich over het verwoeste Jeruzalem zal ontfermen. De heidenen zullen Hem vrezen en dienen. De aarde en de hemelen zullen vergaan, maar God blijft dezelfde.

Ps. 103. Een psalm van David, waarin hij zichzelf, de engelen, Gods menigten en alle schepselen opwekt en vermaant om God, wiens koninkrijk heerst over alles, te loven om zijn vergeving, goedertierenheid, barmhartigheid, gerechtigheid en weldaden aan die Hem vrezen.

Ps. 104. De psalmist wekt zijn ziel op om God te loven. Hij beschrijft Gods grootheid en in de schepping en onderhouding van de natuur. De goddelozen, zegt hij in het laatste vers, zullen van de aarde verdaan worden.

Ps. 105. De psalmist wekt Israël op om God te loven, die een verbond met Abraham sloot en dat gedenkt, Jozef naar Egypte zond, plagen in Egypte zond en Israël verloste, verzorgde in de woestijn en in het beloofde land bracht.

Ps. 106. De psalmist wekt op om God te loven, want Hij is goed, ondanks de menigvuldige zonden die Israël sinds de uittocht uit Egypte heeft gedaan. De psalmist bidt God hem te gedenken (vers 4) en Israël uit de heidenen te verzamelen (vers 47).

Vijfde boek der psalmen (Ps. 107-150)

Ps. 107. De psalmist wekt op om God voor de kinderen der mensen te loven om zijn goedertierenheid en wonderwerken in de verlossingen uit allerlei benauwdheden.

Ps. 108. Van David. Hij neemt zich voor om God, die groot van goedertierenheid en trouw is, te loven en te psalmzingen onder de volken. Hij bidt dat God Zich verheft en Zijn beminden bevrijdt. God, die Israël had verstoten, heeft nu gesproken en onderwerpt de buurvolken (o.a. Filistea) en vijanden aan David en Israël.

Ps. 109. David klaag over zijn valse aanklagers, die hem kwaad voor goed vergelden. Hij wenst hen onheil als werkloon vanwege God toe. In zijn nood en ellende bidt David om verlossing. God zal hem verlossen van degenen die zijn ziel veroordelen.

Ps. 110. David spreekt van zijn heer, die door Jahweh is verhoogd; die zal heersen over zijn vijanden en priester zijn in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.

Ps. 111. Van David. God doet Davids heer heersen over zijn vijanden en priester zijn in eeuwigheid. Zijn heer zal recht doen onder de heidenen en verslaan het hoofd van een groot land.

Ps. 112. Gezegend is de man die God vreest. Hij doet goed en zal niet wankelen. Zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid. Hij zal verhoogd worden, wat de goddeloze tandenknarsend zal zien.

Ps. 113. Oproep tot de knechten van Jahweh om Jahweh loven. Hij woont zeer hoog, boven alle heidenen, maar ziet zeer laag; hij verhoogt de geringe en nooddruftige en doet de onvruchtbare vrouw wonen met een huisgezin met kinderen.

Ps. 114. De aarde beve voor het aangezicht van God, die Israël leidde naar het beloofde land onder het doen van wonderen in de natuur.

Ps. 115. Gods naam zij de eer. De psalmist wijst de ijdelheid van de afgoden aan en vermaant Israël en de Godvrezenden om op Jahweh, die hun hulp en schild is, te vertrouwen. Hij zal hen zegenen.

Ps. 116. De psalmist, die was uitgeteerd en in zijn benauwdheid God had aangeroepen, spreekt zijn liefde tot God uit, Die zijn ziel van de dood heeft gered. Hij zal God dankoffers brengen en Hem zijn geloften betalen in de voorhoven van Gods huis.

Ps. 117. Alle naties worden vermaand Jahweh te loven om Zijn goedertierenheid en trouw (waarheid).

Ps. 118. Een lofzang op Gods goedertierenheid, die tot in eeuwigheid is. God heeft de psalmist verhoord en hem de overwinning gegeven over zijn heidense vijanden. God is hem tot heil geweest en heeft hem niet ter dood overgegeven. De psalm bevatten messiaanse elementen.

Ps. 119. In opeenvolgende passages, waarvan elk begint met een letter van het Hebreeuwse alfabet, roemt de psalmist Gods wet, die hij zeer liefheeft en beter wil leren kennen. Zijn vermaking in Gods wet vermengt zich met verdriet en benauwdheid vanwege de goddelozen, overtreders en hovaardigen; waarom hij God om hulp bidt.

Ps. 120. Een eerste van vijftien liederen "der opgangen". De psalmist, die als vreemdeling vreedzaam buiten Israël woont bij degenen die de vrede haten, bidt om gered te worden zijn leugenachtige vijanden.

Ps. 121. Een lied der opgangen. Jahweh is onze bewaarder.

Ps. 122. Een lied der opgangen. Omwille van het huis van Jahweh wenst David Jeruzalem vrede en welvaart toe en wil hij het goede voor de stad zoeken.

Ps. 123. Een lied der opgangen. De psalmist en zijn volks- of medegenoten zien op naar God in de hemel, totdat Hij hen genadig is. Want zij zijn de verachting en spot uit hun omgeving zat.

Ps. 124. Een lied der opgangen. David wekt Israël op om God te loven, die Israël heeft bewaard voor de mensen die zich tegen hem verhieven en hem als een roofdier, als een woeste rivier dreigden de overweldigen.

Ps. 125. Een lied der opgangen. Die op God vertrouwen zijn blijvend. God beschermt zijn volk. De goddelozen doet Hij weg. Vrede zal over Israël zijn.

Ps. 126. Een lied der opgangen, een juichlied over de bevrijding uit de gevangenschap en de terugkomst in Sion. Gebed dat God de verlossing volbrengt. Vergelijking bij zaaien en oogsten.

Ps. 127. Een lied der opgangen, van Salomo. Onontbeerlijk is de hulp van Jahweh bij het bouwen en bewaren van stad en huis. Kinderen zijn een erfdeel, zonen een weermacht.

Ps. 128. Een lied der opgangen. Het beschrijft de gelukzaligheid en de zegen van degenen die Jahweh vrezen.

Ps. 129. Een lied der opgangen. Israël is van jongs af dikwijls door de goddelozen benauwd, maar God heeft uitgeholpen. Laat allen die Sion haten beschaamd worden en vergaan.

Ps. 130. Een lied der opgangen. Smeekbede uit de diepten. De psalmist wacht op God en vermaant Israël ook op Hem te hopen, die zijn volk verlossen zal van al zijn ongerechtigheden.

Ps. 131. Een lied der opgangen. David betuigt zijn ootmoed. Zijn ziel is gerust. Hij vermaant Israël op God te hopen.

Ps. 132. Een lied der opgangen. David, die veel geleden heeft, zocht een woonplaats voor de Machtige van Jakob. God heeft Sion verkoren en, naar Zijn belofte, een zoon van David op de troon gezet.

Ps. 133. Een lied der opgangen. David getuigt van de zegen van het samenwonen van broeders.

Ps. 134. Een lied der opgangen. Opwekking aan de knechten van Jahweh om Hem te loven. Zegenwens.

Ps. 135. Opwekking om de God van Israël, die boven alle goden is, te loven. Hij doet al wat Hem behaagt, in de schepping en in zijn weg met Israël.

Ps. 136. Opwekking om de God van Israël, wiens goedertierenheid tot in eeuwigheid is, te loven. Opgenoemd worden Gods wonderwerken in de schepping en zijn voorzienigheid jegens Israël.

Ps. 137. Weemoedige klacht van ballingen in Babel, als zij terugdenken aan Jeruzalem, met gebed om vergelding van Babel en Edom.

Ps. 138. Een psalm van David. Hij zal God loven om zijn goedertierenheid, trouw en bewaring. Alle koningen der aarde zullen God loven en zingen van Zijn wegen.

Ps. 139. David verwondert zich over Gods alwetendheid en alomtegenwoordigheid met betrekking tot hem, en over Gods gedachten en werken. Hij haat de goddelozen. Hij bidt God hem te beproeven, opdat op de eeuwige weg gaat.

Ps. 140. David bidt, in vertrouwen op God en zijn rechtvaardigheid, dat God hem verlost van de slechte mensen met hun kwade toeleg en dat hij hen verderft. Hij weet dat God aan de ellendigen recht zal doen.

Ps. 141. David bidt om bewaring voor goddeloos handelen door hemzelf en voor de valstrikken van de goddelozen.

Ps. 142. Een onderwijzing van David, een gebed toen hij in de spelonk was en zich verborg voor zijn vervolgers. Hij smeekt om redding, vertrouwend op Gods hulp.

Ps. 143. David, doodsbenauwd, smeekt God om van zijn vijanden gered te worden. Ook bidt hij tenslotte om hun uitroeiing.

Ps. 144. David bidt God, die hem onderwijst in oorlogvoering, om ontzet en gered te worden van de hand der vreemden, opdat zijn volk wel vaart.

Ps. 145. Een lofzang van David, waarin hij God, de Koning, verhoogt en looft om zijn grootheid, macht, goedheid, lankmoedigheid, goedertierenheid, barmhartigheid, rechtvaardigheid, zorg, hulpvaardigheid en bewaring.

Ps. 146. De psalmist wekt zichzelf op tot lof van God, met aansporing om niet op mensen te vertrouwen, maar op God, die alles geschapen heeft, recht en goed doet en eeuwig regeert.

Ps. 147. Opwekking tot lof van God om zijn ontferming over Israël, zijn werken in de schepping en de bekendmaking van zijn woorden aan Israël.

Ps. 148. De psalmist wekt alle schepselen op, zowel hemelse als aardse, vorsten en rechters, ouden en jongen, om God te loven om zijn verheven majesteit en de verhoging van Zijn volk Israël.

Ps. 149. Een aansporing om God te loven om Zijn goedgunstigheid jegens Zijn volk. Het zal wraak doen over de heidenvolken.

Ps. 150. Een opwekking om God in zijn heiligdom, in het uitspansel te loven met allerlei muziekinstrumenten.