Romeinen (boek)/Hoofdstuk 6

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oude Testament: Ge Ex Le De Jo Ri Ru 1Sa 2Sa 1Ko 2Ko 1Kr 2Kr Ezr Ne Es Job Ps Sp Pr Hgl Jes Jer Kla Eze Da Hos Joë Am Ob Jon Mi Na Hab Zef Hag Za Mal
Nieuwe Testament: Mat Mar Luk Joh Hand Rom 1Kor 2Kor Gal Ef Flp Col 1Th 2Th 1Tim 2Tim Tit Flm Heb Jak 1Petr 2Petr 1Joh 2Joh 3Joh Jud Opb

Romeinen (boek):


Hoofdstuk 6 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

In dit hoofdstuk behandelt Paulus twee vragen

  1. zullen we de genade vermeerderen door in de zonde blijven? (vers 1)
  2. zouden we zondigen juist omdat we niet onder wet maar onder genade zijn? (vers 15)

In het vorige hoofdstuk lazen we dat de vermeerdering van zonde onder invloed van de wet van Godswege gepareerd wordt door vermeerdering van genade. Meer zonde leidt dus tot meer genade. Want de genade moet regeren, niet de zonde. Deze informatie roept vragen op. Deze vragen worden ingegeven door de zwakheid van ons vlees (Ro 6:19). Ons vlees blijft geneigd tot zonde.

Ad 1. Zullen we de genade vermeerderen door in de zonde blijven? Nee, betoogt Paulus. Dat is niet consequent, omdat we van de zonde zijn gescheiden. We zijn met Christus één geworden in zijn dood en opstanding. Door Zijn dood zijn we, d.i. onze oude mens, gestorven ten opzichte van de zonde. Zo moest het lichaam van de zonde teniet worden gedaan, opdat wij niet meer de zonde dienen. Zijn dood scheidt ons van de zonde. Maar Christus is opgestaan en wij met Hem. Zijn opstanding brengt ons in een nieuw leven. Christus leeft voor God en wij ook; wij leven niet langer voor de zonde. In plaats van in de zonde te blijven moeten we ons dood houden voor de zonde, maar voor God levend in Christus Jezus. We moeten ons in de dienst van God stellen. We kunnen God dienen omdat we onder Gods genade leven, niet onder de wet.

Ad. 2. Een tweede vraag is: Zouden we zondigen juist omdat we niet onder wet maar onder genade zijn? (vers 15). Nee, want we hebben ervoor gekozen God te dienen en niet de zonde. We zijn vrijgemaakt van de zonde. De dienst van de zonde leidt tot de dood, de dienst van God tot heiliging en eeuwig leven. Kies daarom het goede.

De zonde (onreinheid, wetteloosheid) dienen als slaaf → wrange vruchten → dood (loon van de zonde)

God (de gerechtigheid) dienen als slaaf → goede vruchten → gerechtigheid, heiliging, eeuwig leven (genadegave).

Rom. 6:1

Ro 6:1 Wat zullen wij dan zeggen? Zouden wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? (TELOS)

In de zonde blijven. Blijven zondigen, 'in de zonde leven' (vers 2).

Rom. 6:2

Ro 6:2 Volstrekt niet! Hoe zouden wij, die ten opzichte van de zonde gestorven zijn, nog daarin leven? (TELOS)

Ten opzichte van de zonde gestorven. Doordat wij verenigd zijn met Christus in zijn sterven en dood. Hij is gestorven, wij zijn met Hem gestorven.

Rom. 6:3

Ro 6:3 Of weet u niet, dat wij allen die tot Christus Jezus gedoopt zijn, tot zijn dood gedoopt zijn? (TELOS)

De doop (door onderdompeling) symboliseert (onder meer) een begrafenis (vers 4). Wij zijn met Hem gestorven en begraven, "met hem één geworden in de gelijkheid van zijn dood" (vers 5). Het woordje "tot" duidt aan dat wij tot Hem zijn gebracht en met Hem verenigd zijn geworden; wij zijn met Hem verbonden, wij staan aan Zijn kant.

Rom. 6:4 Met Hem begraven. Nieuwheid van leven.

Ro 6:4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit de doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen. (TELOS)

De dopeling blijft niet in het watergraf. Na de doop door onderdompeling staat hij weer op. Ook dat heeft een symbolische betekenis: wij zijn met Christus gestorven èn opgewekt, opgestaan. Wij zijn met Hem één geworden, ook "in de gelijkheid van zijn opstanding" (vers 6). En na deze opstanding volgt een wandel in nieuwheid van leven. De verbinding met Hem blijft, immers is Hij de bron van ons leven.

Opgewekt door de heerlijkheid van de Vader. Door Diens macht, door Hem die leven heeft in zichzelf.

In nieuwheid van leven zouden wandelen. Dat houdt in: niet meer de zonde dienen (vers 6).

2Co 13:3 U zoekt immers een bewijs dat Christus in mij spreekt (die jegens u niet zwak is, maar sterk is onder u; 2Co 13:4 Hij is immers in zwakheid gekruisigd, maar leeft door Gods kracht; en wij zijn immers zwak in Hem, maar zullen met Hem leven door Gods kracht jegens u); (Telos)

Rom. 6:6

Ro 6:6 daar wij dit weten, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde te niet gedaan zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen. (Christipedia)[1]

Onze oude mens. Zoals wij waren vóórdat wij tot geloof in de Heer Jezus kwamen en ons tot God bekeerden.

Medegekruisigd. Met Hem gekruisigd en met Hem gestorven en met Hem begraven.

Lichaam van de zonde. De zonde heerste in ons lichaam en werkte door ons lichaam. Door ons lichaam, zijn leden, dienden wij de zonde.

Niet meer de zonde dienen. Maar in nieuwheid van leven wandelen (vers 5)

Rom. 6:7

Ro 6:7 Want wie gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde. (TELOS)

Gerechtvaardigd van de zonde. Dat is rechtens (naar het recht) vrij van de zonde[2]. Hij kan naar het recht vrijuit gaan, omdat de straf is gedragen.

Rom. 6:9

Ro 6:9 daar wij weten dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood heerst niet meer over Hem.  (TELOS)

De dood heerst niet meer over Hem. Hij zal niet meer sterven. De dood heeft over Hem geheerst voorzover hij zich vrijwillig (!) aan haar macht heeft onderworpen, de dood heeft geleden, de dood is ingegaan. Hij is ge-stor-ven.

Rom. 6:10

Ro 6:10 Want wat Hij is gestorven, is Hij eens voor altijd ten opzichte van de zonde gestorven, maar wat Hij leeft, leeft Hij voor God. (TELOS)

Ten opzichte van de zonde gestorven. Alsof Hij zonde had gedaan, in de zonde had geleefd, een zondaar was geweest. Hij stierf 'des zondaars dood'. Hij heeft (plaatsvervangend) de straf, de doodstraf voor de zonde gedragen, het doodsloon van de zonde ontvangen, en Hij is nu vrij ten opzichte van de zonde (vergelijk vers 7). Hij is 'dood ten opzichte van de zonde' (vers 11).

Wat Hij leeft, leeft Hij voor God. Daarom mogen ook wij, die met Jezus zijn één geworden, leven voor God, zie volgende vers.

Rom. 6:12

Ro 6:12 Laat dan de zonde niet regeren in uw sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen. (TELOS)

Deze regent begeert dingen van ons die we niet mogen doen. Maar wij zijn niet meer onder zijn heerschappij, wij zijn overgebracht in een ander koninkrijk. Als wij als werknemer ergens ontslagen zijn of ons ontslag hebben genomen en vertrokken zijn, dan hoeven we de oude baas niet meer te gehoorzamen, wanneer wij hem onderweg tegenkomen.

Rom. 6:13

Ro 6:13 En stelt uw leden niet voor de zonde tot werktuigen van de ongerechtigheid, maar stelt uzelf voor God als uit de doden levend geworden, en uw leden voor God tot werktuigen van de gerechtigheid. (TELOS)

Uw leden. Handen, armen, benen, voeten, keel, tongen, lippen.

Ro 3:13 ‘hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog’; ‘addergif is onder hun lippen’; Ro 3:14 ‘hun mond is vol vervloeking en bitterheid’; Ro 3:15 ‘hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; (telos)

Monden en vuisten zondigden tegen Christus.

Mr 14:65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen en zijn gezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaren sloegen Hem in het gezicht. (TELOS)

Niet voor de zonde. Als macht die over ons heerst. In tegenstelling tot God, die wij mogen dienen.

Zonde ... ongerechtigheid. 1 Joh. 5:17 zegt: "Alle ongerechtigheid is zonde". De zonde is een macht. Als wij haar dienen, doen we met onze leden werken van ongerechtigheid, onrechtvaardige daden.

Rom. 6:14

Ro 6:14 Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder [de] wet, maar onder [de] genade. (TELOS)

De wet, die goed is, prikkelt de zonde en doet de overtreding toenemen.

Ro 5:20 Maar de wet is daarbij gekomen, opdat de overtreding zou toenemen; maar waar de zonde toenam, is de genade veel overvloediger geworden; (TELOS)

Niet onder [de] wet, maar onder [de] genade. Onder de genade doen wij goede dingen, de genade van God stelt ons daartoe in staat. Tegen goede dingen is geen wet.

Voetnoot

  1. Hier in Christipedia een iets verbeterde versie van de Telos-vertaling van dit vers.
  2. Het Nieuwe Testament; herziene Voorhoeve-uitgave (Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982), aantekening bij Rom. 6:7.