Romeinen (boek)/Hoofdstuk 12

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 12 van het Bijbelboek Romeinen (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Rom. 12:2

Ro 12:2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, opdat u beproeft wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is. (Telos)

Na de overgave, terbeschikkingstelling van het lichaam (vers 1), volgt de vernieuwing van het denken, om de goede wil van God te verstaan. Want overgave, toewijding aan God zonder kennis van Zijn wil leidt licht tot verkeerde keuzes en gedragingen.

Niet gelijkvormig. Niet gelijk in vorm, in uitwendig doen en laten, in zichtbaar gedrag, in levenswandel, in levensstijl. Vergelijk 'lichaam' in vers 1: dat is ook iets uiterlijks, zichtbaars, daarin handel en wandel je.

Vernieuwing van uw denken. Het volgende vers geeft een voorbeeld van de uitkomst van deze vernieuwing: niet hoger denken dan het behoort, bescheiden denken.

Beproeft. Door met je vernieuwd denken alternatieve handelingsmogelijkheden te overwegen; overwegen om te weten wat naar Gods wil is.

Rom. 12:3

Ro 12:3 Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik aan ieder die onder u is, dat hij van zichzelf niet hoger moet denken dan het behoort, maar dat hij bescheiden moet denken, zoals God aan ieder een maat van geloof heeft toebedeeld. (Telos)

Niet hoger denken, maar bescheiden. Wie hoog denkt van zichzelf, wordt licht overmoedig of hoogmoedig. Hij zal minder van God afhankelijk zijn en minder of niet op God vertrouwen en steunen. Het helpt om bescheiden te denken door te beseffen dat de maat van mijn geloof door God is toebedeeld; dat mijn werking als lid van de gemeente van God, mijn gave die ik uitoefenen, een genadegave van God is.

Ro 12:6 Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is, Ro 12:7 hetzij profetie, laat het zijn naar gelang van het geloof; hetzij dienst, in het dienen; hetzij wie leert, in het leren; (Telos)

Maat van geloof. Een hoeveelheid geloof voor iets. Bescheidenheid in denken voorkomt dat we overmoedig geloven in een bepaalde zaak.

Ro 12:6 Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is, Ro 12:7 hetzij profetie, laat het zijn naar gelang van het geloof; hetzij dienst, in het dienen; hetzij wie leert, in het leren; (Telos)

Overigens, als je al het geloof hebt, zodat je zelfs bergen verzet, dan kun je toch iets missen.

1Co 13:2 En als ik profetie heb, en ik weet alle verborgenheden en alle kennis, en als ik al het geloof heb, zodat ik bergen verzet, maar ik heb geen liefde, dan ben ik niets. (Telos)

Rom. 12:5

Ro 12:5 zo zijn wij, de velen, een lichaam in Christus, en elk afzonderlijk leden van elkaar. (Telos)

Leden van elkaar. Elkaar ten dienste gegeven. Een voorbeeld: de koster brengt de plaats van samenkomst in gereedheid door de deur te openen, de verwarming aan te zetten, de avondmaalstafel klaar te zetten, enz. De vrouw van de koster zet de koffie, zet bekertjes neer, legt de koekjes in de schalen, enz. Hebben de andere leden daar iets aan? Ja.

Rom. 12:8

Ro 12:8 hetzij wie vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid. (Telos)

Hiermee eindigt de reeks van genadegaven in de gemeente van Christus. Het is geen volledige opsomming: de gave van genezing en de gave van het spreken in een taal, bijvoorbeeld, blijven onvermeld.