Salome

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Salóme is de naam van twee verschillende vrouwen in de Bijbel: 1. de moeder van de apostelen Jakobus en Johannes, 2. de vrouw die voor haar moeder het hoofd van Johannes de Doper vroeg. De vrouwennaam is Hebreeuws en betekent ‘vreedzaam’.

Salóme, de moeder van Jakobus en Johannes

Salóme, waarschijnlijk de vrouw van Zebedeus, de moeder der beide apostelen Jakobus en Johannes. Haar naam wordt alleen genoemd in Marcus 16:1. Zij wordt hier genoemd samen Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus. Deze drie kochten specerijen om het gestorven lichaam van Jezus te zalven. In Matth. 27:56 worden drie vrouwen genoemd die uit de verte Jezus aan het kruis zagen lijden: de genoemde Maria's "en de moeder van de zonen van Zebedeüs". Mattheüs omschrijft haar als "de moeder van de zonen van Zebedeüs" in Matth. 20:20; 27:56. Marcus noemt twee bijzonderheden die Mattheüs niet noemt: haar naam en de omstandigheid dat behalve Jakobus en Johannes ook knechten bezig waren met het herstellen van de netten, toen Jezus de zonen van Zebedeüs riep om Hem te volgen (Marc. 1:20). Men mag besluiten dat Salóme waarschijnlijk de moeder van Jakobus en Johannes was.

Zij was waarschijnlijk ook de zuster van Maria, de moeder van de Heer Jezus.

Zij behoorde tot de Galilese vriendinnen van Jezus, die hem op zijn reizen volgden:

Mr 15:40  Nu stonden er ook vrouwen uit de verte toe te zien, onder wie ook Maria Magdalena was en Maria, de moeder van Jakobus de kleine en van Joses, en Salóme, Mr 15:41  die, toen Hij in Galilea was, Hem volgden en Hem dienden, en vele andere [vrouwen] die met Hem naar Jeruzalem waren opgetrokken. (Telos)

Deze discipelinnen dienden Hem uit hun goederen (Matth. 27:55), waren bij zijn sterven tegenwoordig, en gingen op de zondagmorgen na zijn lijden heen, om zijn lijk te balsemen.

Uit Salóme's haar verzoek, Matth. 20: 21, blijkt wel haar geloof in de Verlosser, maar tevens haar verlangen naar een eervolle plaats voor haar zoons;

Mt 20:20 Toen kwam bij Hem de moeder van de zonen van Zebedeus met haar zonen, huldigde Hem en vroeg iets van Hem.(TELOS)

Zij was, zoals gezegd, getuige van het lijden en sterven van de Heer Jezus:

Mt 27:55 Nu waren daar vele vrouwen die uit de verte toezagen, die Jezus waren gevolgd van Galilea om Hem te dienen; Mt 27:56 onder hen was Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeus. (Telos)

Mr 15:40 Nu stonden er ook vrouwen uit de verte toe te zien, onder wie ook Maria Magdalena was en Maria, de moeder van Jakobus de kleine en van Joses, en Salome, (Telos)

Na de sabbat kocht Salóme specerijen om de Gestorvene te zalven:

Mr 16:1  En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salóme specerijen om Hem te komen zalven. (TELOS)

Salóme, de dochter van Filippus en Herodias

Zij was de dochter van Filippus en Herodias, kleindochter derhalve van Herodes de Grote en Mariamne. In de schandelijke moord, door Herodes Antipas en haar moeder aan Johannes de Doper gepleegd, nam zij een werkzaam aandeel. Later huwde zij met de viervorst Filippus, broer van haar vader, en daarna met Aristobulus, de zoon van Herodes, vorst van Chalcis. Het Nieuwe Testament noemt haar niet met name, maar beschrijft wel haar optreden.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Salome' is op 24 jan. 2015 verwerkt.