Smaad, smaden

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Smaad is volgens Van Dale “het opzettelijk aantasten van iems eer of goede naam”[1]. Smaad is een bejegening die blijk geeft van verachting[2].

Soortgelijke begrippen

Smaad is verwant met schimp, spot en hoon. Schimp noemt men het grieven door scherpe, bijtende woorden; spot het belachelijk maken door ongepaste scherts; hoon een vernederende bejegening; smaad is, als gezegd, een bejegening die blijk geeft van verachting.

God gesmaad

God werd gesmaad door de overtredingen van zijn volk.

Eze 20:27 Daarom, mensenkind, spreek tot het huis Israëls, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Hiermede nog hebben Mij uw vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben. Eze 20:28 Als Ik hen in het land gebracht had, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven had, om hetzelve hun te geven, zo zagen zij naar allen hogen heuvel en alle dicht geboomte, en offerden daar hun offeren, en zij gaven daar hun tergende offeranden, en daar zetten zij hun liefelijken reuk, en daar offerden zij hun drankofferen. (SV)

Israël gesmaad

De profeet Jeremia smeekt God de smaad te aanschouwen die het volk Israël is aangedaan (Klg. 5:1).

De Joden die ten tijde van Nehemia de muur en poorten van Jeruzalem herbouwden, werden gesmaad. Daarom bad Nehemia:

Ne 4:4 Hoor, onze God, dat wij een voorwerp van verachting zijn en doe hun smaad terugkeren op hun eigen hoofd: geef hen over als buit in een land van gevangenschap. HSV)

De Statenvertaling heeft 'versmaadheid'.

Jezus gesmaad

Toen de Heer Jezus aan het kruis hing en leed, werd hij gesmaad door de rovers, die met hem gekruisigd waren.

Mr 15:31  Evenzo spotten ook de overpriesters onder elkaar met de schriftgeleerden en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Mr 15:32  Laat de Christus, de koning van Israel, nu van het kruis afkomen, opdat wij zien en geloven! Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem. (Telos)

Op Christus vielen de smaadheden van hen die God smaadden.

Ro 15:3 Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar zoals geschreven staat: ‘De smaadheden van hen die U smaden, zijn op mij gevallen’. (TELOS)

Jezus' leerlingen gesmaad

De Heer Jezus spreekt zijn leerlingen gelukkig in verband met het verdragen van smaad en draagt hen op te bidden voor hun smaders:

Mt 5:11 Gelukkig bent u wanneer zij u smaden en vervolgen en liegend allerlei kwaad van u spreken ter wille van Mij. (TELOS)

Lu 6:28 ... bidt voor hen die u smaden. (TELOS)

Petrus, één van Jezus' leerlingen, heeft dit onderwijs verstaan en beleefd:

1Pe 4:14 Als u in de naam van Christus smaad lijdt, bent u gelukkig, omdat de Geest van de heerlijkheid en kracht en Die van God op u rust. (TELOS)

De apostel Paulus had zelfs een welgevallen in smaadheden, omdat hij dan des te meer op God moest vertrouwen.

2Co 12:10 Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen en benauwdheden voor Christus; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk. (TELOS)

De Hebreeuwse gelovigen hadden ook smaad te dragen, buiten de legerplaats. Ze waren daar bij Hem en droegen Zijn smaad.

Heb10:33 het zij dat u zelf door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden was, hetzij dat u gemeenschap had met hen die zo daarin verkeerden. (TELOS)

Heb 13:13 Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij zijn smaad dragen.(TELOS)

Bronnen

Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908) s.v. hoon – schimp – smaad - spot. Hieruit is in januari 2012 tekst opgenomen en bewerkt.

Voetnoten

  1. Aldus Van Dale's online woordenboek (2012).
  2. Aldus het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908).