Spreuken/Hoofdstuk 20

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 20 van het Bijbelboek Spreuken wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Spr. 20:26

Spr 20:26  Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen. (SV)

Hij straft de goddelozen zwaar. Twee beelden staan hier naast elkaar: een aan het wannen, een aan het dorsen ontleend. Het rad is waarschijnlijk dat van de dorswagen. Het behoeft niet letterlijk bedoeld te zijn, alsof de koning de bozen ter dood bracht door hen onder een dorswagen te leggen.[1] Tenminste is de uitgedrukte gedachte dat de goddelozen afgescheiden worden, gelijk kaf van het koren wordt gescheiden en de korrels van de aren.

De Heer Jezus, de koning der koningen, die wijzer is dan Israëls wijze vorst Salomo, zal de wettelozen, de bozen afscheiden.

Mt 13:41 De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen, (...) Mt 13:49 Zo zal het zijn in de voleinding van de eeuw: de engelen zullen uitgaan en de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden Mt 13:50 en hen in de vuuroven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. (TELOS)

Voetnoot

  1. Aantekeningen bij de Leidse Vertaling. Enige tekst van de aantekening bij Spr. 20:26 is onder wijziging verwerkt op 20 aug. 2018.