Theocratie

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Theocratie is, naar de betekenis van het Griekse woord, Godsregering.

Het woord Theocratie is ontleend aan de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus.

Het woord Theocratie of Godsregering wordt gebruikt voor de geheel bijzondere verhouding tussen God en Israël in een bepaalde periode van Israëls geschiedenis: God is Israëls Koning en Israël is het volk van God. Na de uitleiding uit Egypte heeft God de nakomelingen van Abraham, Izaäk en Jakob geformeerd tot een volk, tot Zijn volk aangenomen, en dit door de wetgeving bezegeld. Hij, die naar Zijn vrijmachtig welbehagen uit alle volken van de aarde Israël Zich ten eigendom verkoren had (Ex. 19: 5-6; Ps. 147: 19-20, bepaalde en regelde álle levensverhoudingen. Het is vanaf dat moment, dat Israëls regering het geheel eigen karakter draagt, dat in de naam Theocratie tot uitdrukking komt.

Verloop. Deze Theocratie was echter geen staatsinrichting naast andere, bijvoorbeeld de republikeinse of monarchistische. De regeringsvorm onder Israël is afwisselend geweest; een andere in de Richterentijd dan onder Mozes en Jozua, een weer een andere in de dagen van het Koningschap. Maar steeds bleef de Theocratie; deze was boven alle wisselende regeringsvormen verheven.

Overheidspersonen. Alle overheidspersonen bij Israël waren dienaren en plaatsbekleders van God, Deut. 1 : 17, 2 Kron. 19 :6, die Zijn Wet uit te voeren en Zijn wil te volbrengen hadden, en indien zij Hem gehoorzaamden Zijn hulp en bijstand zeker waren, maar wanneer zij eigenwillig of eigenmachtig te werk gingen, hun rechtvaardige straf niet ontgingen. (Daarom worden overheidspersonen ook meerdere keren goden genoemd, Ex. 21 :6; 22 :8, Ps. 82 :6). Want de Heere, de God van het Verbond, verenigde als Wetgever, Rechter en Koning (Jes. 33 :13), alle staatsmacht in Zich, en liet deze door Zijn dienaren handhaven en uitvoeren.

Rol van de priesters. De voorstelling als zou de Theocratie een priesterregering geweest zijn, moet beslist worden afgewezen. De Priesterschap met haar hoofd, de Hogepriester, was – als met het middelaarschap tussen God en het volk bekleed – belast met de regeling van de godsdienstige verhouding, waarin Israël als gemeente stond tot haar Heer. Wel kon de Hogepriester, door middel van de hem toevertrouwde Urim en Tummim, zie bij “de Hogepriester”, Gods wil raadplegen in alle zaken die het belang betroffen van de gehele staat, om die zowel aan het volk als aan zijn overheden bekend te maken. Het in- en uitwendig bestuur van de staat berustte echter niet bij de Priesterschap, maar deels bij de stamvorsten en de oudsten, en deels bij de rechtstreeks door God geroepen hoofden en leidslieden van het volk: Mozes, Jozua, de Richteren, de Koningen.

Rol van de profeten. De profeten werden door God gezonden op ongeregelde tijden om de Theocratie te handhaven tegenover alle misbruik van de kant van de priesterlijke macht of van die van de burgerlijke regering; de profeten traden ook tegenover koningen met goddelijk gezag op, en riepen overheid en volk terug binnen de grenzen van de Wet Gods.

Bron

C. Lindeboom, Bijbelgids, of Handleiding tot het verkrijgen van Bijbelkennis (Middelburg: Stichting de Gihonbron, 2009; bewerking door J. Pluimers van de uitgave uit 1929), blz. 242-243. Hieruit is, onder toestemming, op 14 okt. 2016 tekst gebruikt.