Tobia

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Tobía is een naam die in de Bijbel voorkomt en verwijst naar de volgende personen

  1. een Leviet;
  2. een Israëliet, wiens nakomelingen uit de ballingschap weerkeerden;
  3. een Ammonitische bondgenoot van Sanballat, een vijand van Nehemia. Hij zocht het herstel van Jeruzalems verwoeste muren te verhinderen. Over hem, zie verder hieronder.

Naam. Uitspraak: klemtoon op de i, Tobía. De naam betekent 'Mijn goed is Jahweh'.

De Ammoniet Tobia

Tobia wordt de Ammonitische knecht of dienaar genoemd.

Ne 2:10 Toen Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonitische dienaar, [dat] hoorden, was het volstrekt kwalijk in hun ogen dat er iemand gekomen was om het goede te zoeken voor de Israëlieten. (HSV)

De Statenvertaling heeft 'knecht'. Er is grond voor het vermoeden, dat Tobia vroeger een Ammonitische slaaf geweest is, die zich echter, na zijn vrijheid herkregen te hebben, wist te verheffen tot de waardigheid van ambtenaar van de koning van Perzië in zijn geboorteland. De uitdrukking "knecht" of "dienaar" hoeft men geenszins in de gewone zin te verstaan; dit kan immers ook wel de titel geweest zijn voor de ambtenaren in de kleinere distrikten, zoals in onzen tijd het word "minister" oorspronkelijk een dienaar betekent.

Mesezabeël
 
 
 
 
 
Arach
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
BerechjaSechanja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
MesullamTobia
 
dochter
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
dochter
 
Johanan
 
 
 
 

Tobia was getrouwd met een dochter van de jood Sechanja. Zij kregen een zoon genaamd Johanan (= 'Jahweh begenadigt'). Deze zoon van Tobia trouwde met een dochter van de jood Mesullam.

Ne 6:18 ... en Johanan, zijn zoon, had de dochter van Mesullam, de zoon van Berechja, [tot vrouw] genomen. (HSV)

Toen was de Ammoniet Tobia met twee Joodse families door bloedverwantschap verbonden: hij was getrouwd met een dochter van een jood en ook zijn zoon was getrouwd met een dochter van een jood. Ondanks deze familiebetrekkingen met de Joden verzette hij fel zich tegen de herbouw van Jeruzalems muren.

Ne 6:17 Ook schreven de edelen van Juda die dagen vele brieven naar Tobia, en [brieven] van Tobia bereikten hen. Ne 6:18 Velen in Juda waren namelijk met een eed aan hem verplicht, omdat hij een schoonzoon was van Sechanja, de zoon van Arach, en Johanan, zijn zoon, had de dochter van Mesullam, de zoon van Berechja, [tot vrouw] genomen. Ne 6:19 Ook spraken zij voortdurend tegen mij over zijn goede [daden], en mijn woorden brachten zij naar buiten, naar hem toe. Tobia zond brieven om mij bevreesd te maken. (HSV)

Jozua
 
 
 
 
 
Jojakim
 
 
 
 
 
Eljasib
 
 
 
 
 
JojadaSanballat
 
 
 
 
 
 
 
zoon
 
dochter
 

In vereniging met Sanballat, vermoedelijk een Samaritaan of een Moabiet, en de Arabier Gesem, zocht Tobia het herstel van Jeruzalems verwoeste muren door Nehemia te verhinderen en onmogelijk te maken. Zo bespotte hij, staande naast Sanballat, aldus het herstelwerk aan de muren van Jeruzalem:

Ne 4:3 En Tobia, de Ammoniet, [stond] naast hem en zei: Ook al bouwen ze, als er [slechts] een vos op klimt, maakt hij een bres in hun stenen muur. (HSV)

De hogepriester Eljasib, die verwant was een Tobia en wiens kleinzoon getrouwd was met een dochter van Sanballat, bouwde hem een kamer in de voorhoven van Gods huis. Nehemia wierp echter de huisraad van de Ammoniet Tobia eruit en herstelde de bestemming van de kamer.

Ne 13:7 Toen ik in Jeruzalem aankwam, kreeg ik inzicht in het kwaad dat Eljasib ten behoeve van Tobia gedaan had, door een kamer voor hem te maken in de voorhoven van het huis van God. Ne 13:8 Dit was volstrekt kwalijk in mijn ogen;daarom wierp ik al het huisraad van Tobia uit de kamer naar buiten. Ne 13:9 Ik zei dat ze de kamers moesten reinigen, en ik liet de voorwerpen van het huis van God daar terugbrengen, met het graanoffer en de wierook. (HSV)

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Tobia' is op 15 april 2016 verwerkt.