Vloeken

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vloeken is, als overgankelijk werkwoord gebruikt, een vloek uitspreken over iets of iemand.

Als onovergankelijk werkwoord gebruikt, kan vloeken betekenen[1]:

  1. godlasterende woorden spreken. "Hij vloekt als een ketellapper". "Vloeken in de kerk" betekent iets doen dat uitermate ongepast is.
  2. iets verafschuwen. "Op iets vloeken".
  3. een schril, pijnlijk contrast vormen ("die kleuren vloeken met elkaar") .

Dit artikel handelt over vloeken in de overgankelijke betekenis. Synoniemen van het onvergankelijke werkwoord vloeken zijn verwensen en vervloeken.

Vloek. Vloek heeft de volgende betekenissen[2]:

  1. een tot onheil strekkende uitspraak, verwensing die strekt tot ondergang door een of onder aanroeping van een goddelijke of ongoddelijke, duivelse macht. Synoniemen zijn[1]: anathema, doem, maledictie.
  2. in figuurlijke betekenis: persoon, zaak of omstandigheid die iets of iem. aan de ondergang wijdt, die rampen en ellende veroorzaakt. "Hitler was een vloek der mensheid". "De vloek van de dronkenschap".
  3. Voorwerp van vervloeking
  4. Uitdrukking die een verwensing, met name een godslastering behelst, opzettelijk als zodanig gebruikt, de naam van God of een heilige ijdel gebruikt. Synoniem: krachtterm. "Vloeken uitbraken".
  5. in figuurlijke zin: iets dat als een vloek klinkt.

Vloek en verwensing. 'Verwensing' wordt als synoniem van 'vloek' gebruikt[1]. Maar verwensen is eigenlijk[3] van zich weg wensen. "Muggen verwensen". "Een verwenst bezoek" is een bezoek dat men liever had niet ontvangen. "Hij verwenste de buurman die altijd kwam zeuren". De lelijke wens "Val dood!" is geen verwensing in eigenlijk zin, maar eerder een vloek.

Tegendeel. Vloeken is het tegenovergestelde van zegenen. Een vloek is het tegendeel van een zegen.

Vloeken door mensen

Vloeken door mensen is, in de Schrift, vaak een aanroeping van God, verbonden met het afbidden van iets kwaads over het hoofd van een ander, b.v. over de overheid (Exod. 22: 28 vgl. 2 Kon. 2:  2: 24; Pred. 10: 20; Hand. 23 : 5), over de dove (Lev. 19: 14), over de vijand, of de medemens. Dat vloeken is een bewijs van grote goddeloosheid, vooral wanneer over het, zoals vaak gebeurt, in drift of haat wordt uitgesproken (Ps. 10: 7;. Rom. 3 : 14).

Vervloeken van de ouders.

Spr 30:11 Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent; (SV)

De doodstraf is gezet op het vervloeken van de ouders (Ex. 21: 17, vgl. Lev. 20: 9; Deut. 27 : 16; Spr. 20: 20; Matth. 15 : 4; Mark. 7: 10), want het is niet maar een onrecht in woorden, maar een gewelddadige belediging, in zoverre als de vloekende, hartstochtelijk de ondergang wenst van hem die hij vervloekt - al verhoort God zulke vervloekingen niet, zie Spr. 26: 2.; Neh. 13: 2; Deut. 23: 5 en Num. 23: 8, waar Bileam het bijgeloof van Balak weerspreekt, dat God door de vloek van een mens kan worden verbeden, om hem kwaad te doen.

Mt 15:4 Want God heeft gezegd: ‘Eer uw vader en moeder’ en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet de dood sterven’. (TELOS)

Vervloeken door ouders. Daarentegen wordt de vloek uitgesproken door een vader of een moeder met recht gevreesd (Gen. 9: 25; 27: 12; vergelijk ook Sirach 3: 11).

Ge 9:24 En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had. Ge 9:25 En hij zeide: Vervloekt zij Kanaän; een knecht der knechten zij hij zijn broederen! Ge 9:26 Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht! Ge 9:27 God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht! (SV)

Izak zei tot zijn zoon Jacob:

Ge 27:29 Volken zullen je dienen, naties zullen zich voor je buigen. Wees heerser over je broers, de zonen van je moeder zullen zich voor je buigen. Vervloekt moet zijn wie jou vervloekt, en gezegend wie jou zegent! (HSV)

Vloek tegen God. Een vloek tegen God uitgesproken, wordt als godslastering met de dood gestraft (Lev. 24 : 10). In Lev. 5: 1 en Spr. 29: 24 staat: "die een vloek hoort en het niet aanbrengt, die is schuldig", duideiijker: "die de vloek hoort waarbij de rechter hem oproept om als getuige van de waarheid op te treden en haar niet spreekt, die is schuldig" (Num. 5:21).

Vloeken door God

Wanneer God vloekt, ontneemt hij de goddeloze zijn zegen, en laat Hij vloek en straf over diens hoofd gaan. Na de zondeval in de hof van Eden kwam de vloek van God op de slang, de mens en het aardrijk. Deze vloek wordt wel 'paradijsvloek' genoemd.

Slang vervloekt. De eerste vloek door God uitgesproken geldt een dier, de slang in de hof van Eden, die de mens tot zonde verleidde.

Ge 3:14 Toen zei de HEERE God tegen de slang: Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt onder al het vee en onder alle dieren van het veld! Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven. (HSV)

Aardrijk vervloekt. Na de zondeval vervloekte God het aardrijk - omwille van de in zonde gevallen mens.

Ge 3:17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. (SV)

Ge 5:29 En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft! (SV)

Er rust nog steeds een vloek op de aarde. Overtreders van de Wet. De Wet spreekt over alle overtreders van de Wet de vloek uit (Deut. 28: 15. Dan. 9: 11. Jes. 24: 5. Spr. 3 : 33. Gal. 3 : 10 en 13).

Ga 3:10 Want allen die op grond van werken van de wet zijn, zijn onder de vloek; want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’. (TELOS)

Vloeken door profeten

Jozua heeft in de naam van God als profeet een vloek uitgesproken over hem die Jericho herbouwde  (Joz. 6: 26), Elisa over de kinderen in Bethel (2 Kon. 2: 24), Paulus over de dwaalleraars (Gal. 1 : 9).

Ga 1:9 Zoals wij vroeger hebben gezegd, zo zeg ik ook nu weer: als iemand u een evangelie verkondigt naast dat wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt! (TELOS)

Zelfvervloeking

Zichzelf vervloeken is zichzelf allerhande onheil toewensen.

Het uitspreken van de vloek over de wetsovertreders gebeurde plechtig na de inneming van het land Kanaän, vanaf de kale vloekberg Ebal (Joz. 8 : 34), naar het woord van Mozes (Deut. 11 : 26; 27: 13). Hier was het eigenlijk een zelfvervloeking van het volk, een afbidden van de goddelijke straf op hun hoofd, indien zij de Wet overtraden, daar zij door hun uitgesproken Amen op het woord, dat hun door de Levieten werd voorgezegd, de vloek overnamen. Het ijveroffer (Num. 5: 21), ging van zulk een zelfvervloeking vergezeld.

De krachtterm "Godverdomme" is, naar de letterlijke betekenis "God, verdoem me" een gebed om door God verdoemd (veroordeeld) te worden. De uitdrukking geldt echter meestal niet als een verwensing, maar als krachtterm, waarin het woord "God" ijdel gebruikt wordt. Een reactie op dergelijk woordgebruik kan wezen: "God houdt er niet van om jou te veroordelen, want daar vraag je letterlijk om" of "God heeft liever dat je om een zegen bidt".

Voorwerp of voorbeeld van de vloek

Vloek staat vaak in plaats van het voorwerp of voorbeeld van de vloek, zoals o. a. de Joden bedreigd werden dat zij een vloek zouden worden onder de volkeren (Zach. 8: 13) d.i. wanneer men iemand iets kwaads wil toewensen, dan zal men zeggen: het ga u als de Joden!

Christus is een vloek geworden voor ons (Gal. 3: 13) (2 Kor. 5:21 voor ons tot zonde gemaakt), daar Hij de vloek, die de overtreders van de Wet verdiend hadden, op zich genomen heeft.

Ga 3:13 Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden (want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die aan een hout hangt’), (TELOS)

De apostelen zijn als een vloek der wereld (1 Kor. 4: 13), andere verstaan er onder een mens die aangezien wordt als van God vervloekt en daarom uitgeroeid wordt, opdat hij het land niet verontreinigt, zoals bijv. Jona, die in de zee geworpen werd. Geen vloek, geen verwensing, zal uit de mond van de christen gehoord worden (Matth. 5: 36, 44; Rom. 12 : 11; Jak. 3 : 10; Gal. 6 : 7).

Ro 12:14 Zegent wie u vervolgen; zegent en vervloekt niet. (TELOS)

Jak 3:8 maar de tong kan geen enkel mens temmen; zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Jak 3:9 Met haar zegenen wij de Heer en Vader, en met haar vervloeken wij de mensen die naar Gods gelijkenis gemaakt zijn. Jak 3:10 Uit dezelfde mond komt zegen en vloek voort. Dit moet niet zo zijn, mijn broeders. (TELOS)

Vrederijk

Hoewel het toekomstige vrederijk van Christus gekenmerkt wordt door zegen, zal de vloek van Godswege niet ontbreken tegen zondaars.

Jes 65:20 Daar zal niet meer zijn een zuigeling die maar enkele dagen leeft of een oude man die zijn dagen niet zal volmaken, want een jonge man zal sterven als een honderdjarige, maar een zondaar, al is hij honderd jaar, zal vervloekt worden. (HSV)

Bronnen

Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. "Vloek, Vloeken". De tekst van dit lemma is op 14 april 2018 verwerkt.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.
  2. Vergelijk de definitie van 'vloek' in Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.
  3. Petrus Weiland, Kunstwoordenboek, of: Verklaring van allerhande vreemde woorden, benamingen, gezegden en spreekwijzen, die, uit verscheidene talen ontleend, in de zamenleving en in geschriften, betreffende alle vakken van kunsten, wetenschappen en geleerdheid voorkomen (1821) s.v. "Vloeken, vervloeken, verwensen".