Vreze Gods

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De vreze Gods of vreze van (= jegens) God of Godsvreze of vrees van God of vreze des HEEREN is het gevoel van eerbied, achting, voortvloeiend uit ontzag of beduchtheid voor onze God en Schepper als het hoger, machtiger Wezen; ook: de gezindheid, houding die van ontzag voor God getuigt.

In 'vrees van God' is 'van' een genitivus objectivus: het gaan om de vrees jegens God, geenszins om een vrees die God Zelf zou hebben (genitivus subjectivus).

Moeilijk begrip. De vreze des HEEREN, vreze Gods is een emotioneel moeilijk begrip voor hen die de Heer alleen als een goede vriend, een maatje (willen) zien; en ook voor hen die opgegroeid zijn met het overheersende beeld van een toornende God. Een goed begrip van de 'vreze Gods' is echter heilzaam. De vreze Gods, zegt de Bijbel, is een 'springader' (bron) van het leven.

Twee betekenissen. Vreze Gods kan in twee betekenissen voorkomen[1]:

a. In algemene zin: godsvrucht, vroomheid, godvrezendheid, alles wat tot de godsdienst behoort, de vervulling van de plichten, die wij aan God als onze Schepper verschuldigd zijn (Joz. 22: 25. Spr. 1 : 7; 9 : 10. Pred. 12: 13).

b. In engere zin het ontzag, de erkentenis, bewondering, hoogachting en verering van de goddelijke macht, majesteit, gerechtigheid en heiligheid, de diepe, innige huivering van een mensenziel die zich onder Gods majesteit verootmoedigt. Zij is het begin van de wijsheid, de wortel van de bekering, een bron van het leven (Spr. 14: 27. Job 28: 28).

Spr 14:26 In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen. Spr 14:27 De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods. (SV)

Hij die zich van iemand afhankelijk voelt, wat hem onuitsprekelijk gelukkig of onuitsprekelijk ongelukkig kan maken, moet noodzakelijk voor hem vrezen.

Mt 10:28 En weest niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel. (TELOS)

Lu 12:4 Ik nu zeg u, mijn vrienden: weest niet bang voor hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. Lu 12:5 Maar Ik zal u tonen voor Wie u bang moet zijn: weest bang voor Hem die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen; ja, Ik zeg u, weest bang voor Hem. Lu 12:6 Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningen? En niet een van hen is voor God vergeten. Lu 12:7 Ja, zelfs de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Weest niet bang; u gaat vele musjes te boven. (TELOS)

De vrees voor God kan bij onbekeerde mensen ontbreken.

Ro 3:18 ‘geen vrees voor God staat hun voor ogen’. (TELOS)

Als zij er echter is, is zij bij onbekeerde mensen een 'knechtelijke' vrees, de vrees als van een knecht (Gal. 3 : 10. Hebr. 2 : 15). Wanneer men in deze toestand het kwade laat, dan is de voorstelling van de toorn Gods de beweeggrond; men wantrouwt God en kan Hem niet liefhebben, het geweten vreest het ergste, en straft zichzelf reeds; het voelt al iets van de vreselijke plagen die op die grote dag over de onboetvaardigen komen zullen. Bij de verloste mens verbindt zich met dat gevoel van afhankelijkheid van God een innige liefde. Vergelijkbaar met de liefde van een kind tot zijn vader, wiens liefde het geniet en wiens rechtvaardige gestrengheid het vreest.

Heb 12:9 Bovendien, wij hadden de vaders van ons vlees om ons te tuchtigen en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij dan niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven? (TELOS)

Men ziet in God: de Vader met wie men door Christus verzoend is. De liefde verslindt de toorn, en drijft de angstige vrees uit, in haar plaats komt vrede en toenadering tot God. Men verheugt zich op de dag van de verlossing, en van de volkomen scheiding van al het ijdele en vergankelijke, en heeft slechts één vrees, die is om de Heer te mishagen, en slechts één hoop, om in Zijn dienst het eeuwige leven te ontvangen. Dit is de kinderlijke vrees, die met de liefde verbonden is (2 Tim. 1: 7. 1 Joh. 4: 18) en met de grootste nauwgezetheid (Fil. 2:12).

Vreze Gods en verlossing. Een vrees voor God kan door de Geest in het hart van een mens worden gewekt om hem tot bekering te leiden. De vrees en siddering is dat heilige gevoel dat de zondige mens krijgt als hij in aanraking komt met de goddelijke majesteit. Vooral in het werk van zijn verlossing moet hij bedenken: nu werkt de Heilige God zelf in mij; Hij roept mij tot zich, om mij een volheid van leven, vrede en kracht te schenken - hoe vreselijk wanneer ik Zijn werk verhinderde! Het is echter zelfmisleiding om de bekering uit te stellen tot je een zeker gevoel van Godsvreze of een ellendig gevoel over jezelf hebt. Bekering moet je nooit uitstellen, bekering moet je doen. Gods liefde vraagt geen uitstel.

In de vreze Gods wandelen, leven. Met ontzag voor God wandelen wij, leiden wij ons leven, gedragen wij ons in deze wereld.

2Co 7:1 Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van het vlees en van de geest, en de heiligheid volbrengen in de vrees van God. (TELOS)

Vreze Gods in de rechtspraak. Koning Josafat van Juda vermaande de rechters met vrees voor God recht te spreken.

2Kr 19:6 Hij zei tegen de rechters: Let op wat u doet, want u oordeelt niet voor een mens, maar voor de HEERE. Hij is bij u als u rechtspreekt. 2Kr 19:7 Nu dan, laat grote vrees voor de HEERE over u komen; neem uw plichten waar, en doe ze, want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht, geen partijdigheid of aanneming van geschenken. 2Kr 19:8 Bovendien stelde Josafat in Jeruzalem enkelen van de Levieten en de priesters, en enkelen van de familiehoofden van Israël aan voor de rechtspraak van de HEERE en voor de rechtszaken van de inwoners van Jeruzalem. 2Kr 19:9 Hij gebood hun: Dit moet u in de vreze des HEEREN, in trouw en met een volkomen hart doen. (HSV)

De Statenvertaling heeft "de verschrikking des HEEREN". Deze vrees of verschrikking moest de rechters afhouden van onrechtvaardigheid en omkoperij en bewegen om rechtvaardig te oordelen. "Als u zo handelt, zult u niet schuldig worden." (2 Kron. 19:10 HSV).

Vreze Gods en mensenvrees

De ware vrees voor God moet ons van alle andere vrees bevrijden, en vooral van de mensenvrees, die zoveel goeds verhindert en zo veel kwaads sticht. Zullen wij voor 'vergankelijke stoppels' vrezen? (Jes. 51 : 12. 1 Petr. 1 : 24).

Mt 10:28 En weest niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel. (TELOS)

Toch bestaat er voor de mensen evenals voor God een goede vrees, de eerbied en achting voor hen, die Hij gezag heeft verleend. Daarom staat er in het Oude Testament niet alleen (Lev. 19: 3): een ieder vreze zijn moeder en zijn vader, en (Spr. 24: 21) vrees de Heer en de Koning, maar ook in het Nieuwe Testament (Eph. 5: 33): de vrouw vreze de man.

Efe 5:33 Zo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw, alzo lief als zichzelven; en de vrouw [zie], dat zij den man vreze. (SV)

Efe 5:33 Kortom, ook u moet, ieder in het bijzonder, uw eigen vrouw net zo liefhebben als uzelf; en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man. (HSV)

De uitroep „vrees niet!" komt 300 maal in de Bijbel voor.

Vrees van Christus

De vrees van Christus heeft onze Heer en Heiland tot voorwerp van het gevoel van ontzag, hoogachting, beduchtheid.

Toen de mensen een verlamde op Jezus' bevel zagen opstaan en lopen, vreesden zij.

Mt 9:8 Toen nu de menigten dit zagen, vreesden zij en verheerlijkten God, die zo’n macht aan de mensen had gegeven. (TELOS)

De leerlingen van Jezus "vreesden met grote vrees" toen zij zagen dat Jezus de woeste zee tot bedaren bracht.

Mr 4:41 En zij vreesden met grote vrees en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzamen? (TELOS)

Lu 8:25 Hij nu zei tot hen: Waar is uw geloof? Zij echter vreesden en verwonderden zich en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat Hij zelfs de winden en het water gebiedt en zij Hem gehoorzamen? (TELOS)

Toen mensen zagen dat een bezetene was bevrijd en normaal was geworden, vreesden zij.

Lu 8:35 Zij nu liepen uit om te zien wat er was gebeurd; en zij kwamen bij Jezus en vonden de mens van wie de demonen waren uitgegaan, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand; en zij vreesden. (TELOS)

De Heer is machtig om te vergelden. Dat is een reden om Hem te vrezen.

2Co 5:9 Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, Hem welbehaaglijk te zijn. 2Co 5:10 Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is gedaan, naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad. 2Co 5:11 Daar wij dan weten hoezeer de Heer te vrezen is, overreden wij de mensen; maar voor God zijn wij openbaar geworden, en ik hoop dat wij ook in uw gewetens openbaar zijn geworden. (TELOS)

Wij moeten elkaar onderdanig zijn in de vrees van Christus. Wij hebben te beseffen dat de verloste naaste, de broeder of zuster, door de Heer gekocht is, van Hem is, door Hem geliefd en een middel van Hem is om ons tot nut te zijn.

Efe 5:21 en weest elkaar onderdanig in de vrees van Christus. (TELOS)

Vergelijk:

Flp 2:3 Doet niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf; (TELOS)

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Vrees. Tekst van dit lemma is op 22 mei 2018 verwerkt.

Voetnoot

  1. H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Vrees.