Zacharia (boek)

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zacharia is de naam van een geschrift van de profeet Zacharia in het Oude Testament.

Schrijver en datering

Zacharia, de profeet van herstel en zegen, is waarschijnlijk in ballingschap geboren in Babylon. Hij was de zoon van Berechja, zijn grootvader was Iddo. Iddo wordt in Nehemia 12:4 genoemd als één van de priesters die behoorde bij de eerste groep van terugkerende ballingen. Zacharia kwam dus uit een priestergeslacht en was tevens profeet.

De drie namen ('Zacharia', 'Berechja', 'Iddo') vormen als het ware de sleutel tot het boek Zacharia. Zacharia betekent "God herinnert," Berechja "God zegent" en Iddo "de vastgestelde tijd." Gods gedenkt zijn volk en zegent hen op de vastgestelde tijd, dat is de kern van het boek.

De profetieën werden uitgesproken in het 2e en 4e jaar van koning Darius van Perzië, dus 520 en 518 voor Christus. Zacharia was dus een tijdgenoot van Haggaï, beide profeten worden genoemd in Ezra 5:1 en 6:14.

De stijl en het taalgebruik van de hoofdstukken 1 t/m 8 verschilt van de stijl van de hoofdstukken 9 t/m 14. De onderwerpen van beide gedeelten zijn sterk uiteenlopend en kunnen door één en dezelfde schrijver zijn neergezet. Sommigen menen op grond van het verschil dat het boek door twee verschillende schrijvers is geschreven. Dit is mogelijk, maar niet noodzakelijk.

Historische achtergrond

Perzië was in de dagen van Zacharia een grote wereldmacht. In 539 voor Christus had koning Kores de Joodse ballingen toestemming gegeven terug te keren naar het land Kanaän. De teruggekeerde Joden hadden een begin gemaakt met de herbouw van de tempel, maar door tegenstand van buitenaf was het werk gestagneerd, zie Ezra 4:1-5. De profetische boodschappen van Haggaï en Zacharia waren een stimulans om het werk opnieuw ter hand te nemen en af te maken. Ze waren een bemoediging om door te gaan en te vertrouwen op Gods zegen.

539 v. Chr. Val van Babylon, hoofdstad van het Babylonische rijk.

538 v. Chr. Cyrus (Kores) de Grote, koning van Perzië, geeft, op Gods bevel, de Joden toestemming om van Babel naar Jeruzalem terug te keren en beveelt hen het huis van God (de tempel) te herbouwen, Ezr. 1:1-3.  Cyrus verleent de meeste volken de mogelijkheid om terug te keren en hun godsdienst te beoefenen. Een geringe groep Joden, zo’n 50.000 in getal, keert terug, onder wie Haggai en Zacharia. Dit ‘overblijfsel van het volk’ (Hagg. 1:12, 2:3) richt in Jeruzalem een altaar op, Ezr. 3:2-3, "... maar met verschrikking, [die] over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds." (Ezr. 3:3).

In het tweede jaar van de terugkeer wordt het fundament van de tempel gelegd. Echter, de Joden ontmoeten tegenstand, raken ontmoedigt en de herbouw van de tempel blijft gedurende zo’n 16 jaren stilliggen.

522 v. Chr. Darius I (Darius de Grote) wordt koning van Perzië. Hij regeert tot 485.

520 v. Chr.

In het tweede regeringsjaar van Darius I van Perzië, in de 6e maand, op de 1e dag der maand, geschiedt het woord van Jhwh tot Haggai (Hag 1:1). De boodschap is een vermaning tot Juda's vorst Zerubbabel, de hogepriester Jozua en het volk om de tempelbouw voort te zetten.

23 dagen later, in dezelfde maand (de zesde maand) van datzelfde jaar, op de 24e dag, wordt de bouw van de tempel hervat (Hag. 1:15).

Een maand na de hervatting van de nagelaten tempelbouw, in de 7e maand, op de 21e dag, geschiedt voor de tweede keer het woord van Jhwh door de dienst van Haggai (Hag 2:2) tot Zerubbabel, Jozua en het volk. God vermaant hen sterk te zijn en te werken, want Hij is met hen, met Zijn Woord en Zijn Geest. Hij bemoedigt de Joden, die vinden dat de tweede tempel niets voorstelt, door een messiaans toekomstbeeld (oordeel, heerschappij van de messias, huis van God met heerlijkheid vervuld, vrede)

In de 8e maand, geschiedt het woord van Jhwh tot Zacharia, dat de Joden tot ware bekering vermaant (Zach. 1:1v).

In de 9e maand, op de 24e dag, in het tweede regeringsjaar van Darius I van Perzië, is het fundament van de tempel gelegd (Hag. 2:19) en geschiedt voor de derde keer het woord van Jhwh door de dienst van Haggai (Hag. 2:11). God verklaart het volk en hun werk onrein. Maar vanaf nu, na de fundering van de tempel, zal God zegenen (Hag. 2:20).

Op dezelfde dag geschiedt het woord van God voor de vierde keer tot Haggai. Aan Zerubbabel, de vorst van Juda, wordt gezegd dat God de koninkrijken der heidenen zal tenietdoen. Te dien dage zal God Zerubbabel, dien Hij verkoren heeft, stellen als een zegelring.

In de 11e maand, op de 24e dag, geschiedt wederom het woord van Jhwh tot Zacharia en de profeet ziet gezichten. God betuigt zijn grote ijver en ontferming over Jeruzalem en over Sion. “Mijn huis zal daarin gebouwd worden” (Zach. 1:16) Jeruzalem zal talrijk worden, God zal haar beschermen en “tot heerlijkheid wezen in het midden van haar” (Zach 2:5). God roept de achtergebleven Joden in Babel om terug te keren (Zach 2:6v). In een ander gezicht ziet Zacharia de hogepriester Jozua, wiens ongerechtigheid wordt weggenomen (Zach. 3). God voorzegt ook dat zijn Knecht, de Spruit, zal komen. Op één dag zal de onrechtigheid van het land worden weggenomen (Zach 3:9). Door Zacharia spreekt God ook tot Zerubbabel, die Gods huis zal voleindigen.

515 / 516 v. Chr. Bouw van de Tweede tempel voltooid.

458 v. Chr. Nogmaals keert een groep Joden naar Juda terug, ditmaal onder leiding van de Schriftgeleerde Ezra.

445 v. Chr. Nehemia krijgt verlof om Jeruzalems muren te gaan herbouwen. Ook tegen deze herbouw ontstaat tegenstand.

De boodschap

God zal voor zijn teruggekeerde volk zorgen. Hij geeft kracht om de tempel te herstellen en Hij zal er zijn zegen aan verbinden. God is een vergevend God, wie zich afkeert van de zonde kan op zijn genade rekenen. Ook bevat het boek toespelingen op de verre toekomst en de Messiaanse tijd die zal aanbreken.

Zacharia spreekt veel over de Messias en wordt daarom in het Nieuwe Testament vaak geciteerd. Veel profetieën uit Zacharia met betrekking tot de Messias zijn  nog niet in vervulling gegaan en wachten op de eindvervulling bij de wederkomst van Christus.

Indeling

Pericopen. Een indeling naar pericopen[1]:

1:1-6 Oproep tot bekering

1:7-17 Het eerste gezicht: de Man op het rode paard

1:18-21 Het tweede gezicht: de vier horens en de vier smeden

2:1-13 Het derde gezicht: de Man met het meetsnoer

3:  Het vierde gezicht: de hogepriester Jozua. Profetie over Gods Knecht, de Spruit.

4: Het vijfde gezicht: de gouden kandelaar en de twee olijfbomen

5:1-4 Het zesde gezicht: de vliegende boekrol. Deze stelt een vloek voor die de dieven en valszweerders zal treffen.

5:5-11 Het zevende gezicht: de vrouw in de efa. Zij stelt de goddeloosheid voor en wordt gedeporteerd naar Sinear.

6:1-8 Het achtste gezicht: de vier wagens met paarden. Ze stellen de vier winden van de hemel voor, die voor God uitgaan.

6:9-15 De kroon voor Jozua. De belofte van de Spruit

7: Gehoorzamen is meer dan vasten

8: Beloofde zegeningen voor Israël

9:1-8 Bestraffing van de omringende volken

9:9-17 De Koning van Sion komt

10: God zal Israël verlossen

11: De twee stokken

12:1-8 Jeruzalems redding

12:9-13:1 Belofte van de Geest van genade

13:2-6 Het uitroeien van de afgodendienst

13:7-9 de Herder en de beproefde rest van het volk

14: De toekomst van Jeruzalem

Hoofdindeling. Naast een indeling naar pericopen, kan we een grovere indeling toepassen. We noemden al de hoofdindeling in tweeën:

Deel 1    Hoofdstuk 1 t/m 8

Deel 2    Hoofdstuk 9 t/m 14.

Deel 1 is in te delen in drie belangrijke boodschappen:

  1. Boodschap waarin het volk wordt opgeroepen tot bekering.
  2. Boodschap met 8 visioenen ter bemoediging,  de eerste drie gaan over voorspoed en overwinning en zegeningen over Jeruzalem. De laatste vijf gaan over de geestelijke voorspoed, de aanstelling van de hogepriester Jozua, Israël als licht voor de volken, de kracht van Gods Woord en de rijkwijdte van de wet.
  3. Boodschap die twee jaar later werd gegeven, een viervoudig antwoord op een gezantschap uit Babylon over de noodzaak van het houden van vastendagen. De antwoorden zijn achtereenvolgens te vinden in 7:1-7; 7:8-14; 8:1-17 en 8:18-23.

Deel 2 kun je globaal verdelen in twee boodschappen die handelen over Israëls toekomst en de komende Messias/Koning :

  1. Hoofdstuk 9 t/m 11, deze profetieën gaan deels over de eerste komst van de Messias, maar bevatten ook nog onvervulde of slechts deels vervulde profetieën.
  2. Hoofdstuk 12 tot 14, deze profetiën zijn volledig toekomst gericht en zullen in vervulling gaan bij de wederkomst van Christus. De profetieën staan niet in chronologische volgorde.

Profetieën over de komende Koning

In het tweede en laatste hoofddeel van het boek van Zacharia vinden wij profetieën over de komende Koning.

I. De komende Koning (deels vervuld.) 9:9.

II. De verwerping van de Koning.

     a. de prijs betaald voor de Koning 11:12+13,

     b. de geslagen Herder 13:6+7

     c. Gods kudde verstrooid 11:7-11.

III. De tweede komst van de Koning 14:3-8.

IV. De overwinningen van de Koning 9:8; 12:1-9 en 10-14; 13:1-5.

V. Het regeringsprogramma van de Koning 9:10-17; 10 en 14:9-21.  

Commentaar

Op de volgende pagina's worden passages of onderwerpen behandeld:

Voetnoot

  1. De indeling naar pericopen is op 20 sept. 2014 gebaseerd op de pericopen van de Herziene Statenvertaling.