Zekerheid van het geloof

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De zekerheid van het geloof is de zekerheid van een mens omtrent de vervulling van Gods woord en Zijn beloften, zoals de behoudenis van de gelovige.

Zekerheid is een normaal kenmerk van geloof.

Heb 11:1  Het geloof nu is de zekerheid van wat men hoopt, de overtuiging van wat men niet ziet. (Telos)

Heb 10:23  Laten wij de belijdenis van de hoop onwankelbaar vasthouden (want Hij die beloofd heeft, is getrouw), (Telos)

De vervolger Saulus was in genade aangenomen. Hij schreef: "Ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heer." (Rom. 8:38-39). De apostel Johannes schreef:

1Jo 5:13 Deze dingen heb ik u geschreven, opdat u weet dat u eeuwig leven hebt, u die in de naam van de Zoon van God gelooft. (Telos)

Goedheid van de zekerheid

Verzekerd-zijn, overtuigd-zijn is geen arrogantie of hoogmoed. Een kind dat het woord van zijn vader gelooft en erop vertrouwt en er zeker van is dat vader zijn woord nakomt, is geen arrogant kind. Zekerheid van het geloof, omtrent het heil, is een goed, is waardevol, ja, is een rijkdom. Paulus streed hiervoor in de gebeden, opdat de gelovigen die rijkdom mochten hebben.

Col 2:1  Want ik wil dat u weet, wat een strijd ik heb voor u en voor hen in Laodicea, en voor allen die mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien; Col 2:2  opdat hun harten vertroost worden en zij samengevoegd zijn in liefde en tot alle rijkdom van de volle zekerheid van het inzicht, tot kennis van de verborgenheid van God <[de]Vader>, <Christus>, (Telos)

Merk op dat 'de rijkdom van de volle zekerheid' betrekking heeft op de kennis van de verborgenheid van God. De verborgenheid, de geheime schat van de God de Vader is Zijn Zoon Jezus Christus. God heeft die schat aan ons bekend gemaakt, Hij schenkt die schat aan ons. Hij heeft Zijn Zoon gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft (Joh. 3:16).

Een gelovige is betrokken in een geestelijke strijd. Wij hebben te maken met onzichtbare tegenstanders, demonen. Door woorden van mensen of tegenslagen in het leven willen zij ons uit het veld slaan. Daarom hebben wij, figuurlijk gesproken, een borstharnas en een helm nodig om pijlen en slagen te weren.

1Th 5:8  Maar laten wij die van de dag zijn, nuchter zijn, terwijl wij het borstharnas van het geloof en de liefde aangedaan hebben, en als helm de hoop van de behoudenis; 1Th 5:9  want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de behoudenis door onze Heer Jezus Christus, (Telos)

Heb ik de helm van de hoop opgezet? Zo ja, de helm moet dan niets steeds heen en weer schuiven. Hij mag niet door één slag van ons hoofd vallen. Hij moet goed vast op ons hoofd zitten. De hoop van de behoudenis ziet op de toekomstige behoudenis: wij hopen, wij geloven behouden te zullen worden. Wij bestemmen niet onszelf tot behoudenis, God heeft ons bestemd, uit genade.

Hnd 15:11  Maar door de genade van de Heer Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als ook zij. (Telos)

Die hoop is geen onzekere wens zoals in "ik hoop dat het morgen mooi weer wordt". De hoop is een zekerheid, die rust op de genade van de Heer Jezus, niet op eigen verdienste of eigen gevoel.

Naast zekerheid is ook vastheid - het tegendeel van wankelen - een goede zaak.

Col 2:5  Want al ben ik ook naar het lichaam afwezig, toch ben ik in de geest bij u en verblijd mij bij het zien van uw orde en de vastheid van uw geloof in Christus.

Zekerheid is geen variant van hoogmoed, van arrogantie. Waarom niet? Omdat wij eigenlijk zeker zijn, niet in de eerste plaats van onszelf, maar vooreerst van God, die te vertrouwen is. Zekerheid is een goed, het is behóórlijk. God wil dat we gerust en zeker zijn in ons geloof. Is die zekerheid er niet, dan 'ontbreekt' er iets aan ons geloof. Dat iets aan ons geloof kan ontbreken, blijkt ook uit de woorden van Paulus aan de gelovigen in Thessalonika:

1Th 3:10  terwijl wij nacht en dag zeer overvloedig bidden dat wij uw gezicht mogen zien en voltooien wat aan uw geloof ontbreekt. (Telos)

Subjectieve en objectieve zekerheid

De zekerheid van het geloof heeft een subjectieve en een objectieve zijde. De objectieve zijde is de zekerheid die er buiten mij is. Gods woord is buiten mij. Het was er eerder dan ik. De waarheid ervan wordt niet aangetast door mijn twijfel of onzekerheid. Wankele benen maken een rots niet broos. De subjectieve zijde is de zekerheid in mijn hart en gevoelen. De subjectieve zekerheid moet rusten op de objectieve zekerheid van Gods woord, van Zijn toezeggingen, van Zijn verzekering en geruststelling gericht op ons.

De grond van mijn subjectieve zekerheid moet het woord van God zijn. Zij die de uitspraken, in Gods woord gegeven, onvoorwaardelijk aanvaarden en dus van harte in de de Heer Jezus geloven als hun Zaligmaker, hebben reeds op aarde grote zekerheid betreffende hun behoudenis.


Lukas verhaalt 'de zaken die zich onder ons voltrokken hebben', zoals de geboorte van Jezus, zijn woorden en daden, zijn verwerping, sterven, opstanding en hemelvaart. Velen (!) hebben ondernomen een verhaal daarvan op te stellen. Hun bronnen waren ooggetuigen. Ook Lucas heeft een verhaal opgesteld, één van de vier evangeliën, nadat hij 'alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht' had. Hij schrijft zijn verhaal aan ene Theofilus, 'opdat u de zekerheid kent van de dingen waarin u bent onderwezen'.

Lu 1:1  Aangezien velen ondernomen hebben een verhaal op te stellen over de zaken die zich onder ons voltrokken hebben,  Lu 1:2  zoals zij die van het begin af ooggetuigen en dienaren van het woord zijn geweest, ons hebben overgeleverd, Lu 1:3  heeft het ook mij goed gedacht, na alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht te hebben, het in geregelde orde aan u te schrijven, hoogedele Theofilus,  Lu 1:4  opdat u de zekerheid kent van de dingen waarin u bent onderwezen. (Telos)

Woman standing on a rock near Villa de Leyva, Colombia (Unsplash).jpg

Het is vast en zeker dat de zaken die Lukas beschrijft, zich in die tijd voltrokken hadden. Wanneer Theofilus gelooft aan het verslag van Lukas, gelooft hij aan zaken die zeker zijn. Zijn subjectieve zekerheid is gegrond op de objectieve zekerheid van zaken waar Lucas en hij niet omheen kunnen. Lucas schreef Theofilus 'opdat u de zekerheid kent van de dingen waarin u bent onderwezen' (Luc. 1:4).

De subjectieve zekerheid van mijn geloof is gegrond op de objectieve zekerheid van het heil. En dit heil is zeker, omdat we een betrouwbare overlevering hebben van 'zaken die zich onder ons voltrokken hebben' (Lucas), en omdat God getrouw is en zijn beloften zal vervullen, en omdat de Heilige Geest ons geloof bevestigt. Mijn verzekerd-zijn is gebaseerd op een zekerheid buiten mij: zaken die zich buiten mij hebben voltrokken, beloften van God die tot mij komen. Stel, ik sta op een vaste rots. Mijn inwendige zekerheid en de zekerheid van mijn staan, mijn bestaan, is gegrond op de zekerheid van de rots. Mijn gevoelens en gedachten kunnen onvast zijn, heen en weer geslingerd worden, de grond onder mij is vast. Deze vastheid moet mij gerust stellen in mijn staan en bestaan.

Jezus is de rots. Al is Hij geslagen, Hij is de steenrots gebleven. Hij, de Geslagene, geeft ons geestelijk voedsel en geestelijke drank. Lezen van Gods Woord versterkt en verkwikt ons en geeft ons zekerheid.

1Co 10:3  allen hetzelfde geestelijke voedsel aten 1Co 10:4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.) (Telos)

Paulus was eens een vervolger van de gemeente. Jezus was voor hem "een rots der ergernis". Maar hij kon niet om de objectieve zekerheid van de opgestane Heer heen. Hij verkreeg de overtuiging dat Jezus de heiland van de wereld is, ook zijn heiland. Paulus haalt de Schrift aan die zegt: 'wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden'.

Ro 9:33  zoals geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis’; en ‘wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’. (Telos)

Petrus, een ooggetuige van Jezus, schreef:

1Pe 2:7  Voor u dan die gelooft, is dit kostbare; maar voor de ongelovigen: ‘De steen die de bouwlieden hebben verworpen, deze is tot een hoeksteen geworden’, en’ een steen des aanstoots en een rots der ergernis’. (Telos)

De grond van onze zekerheid

De grond van onze subjectieve zekerheid is het woord van God. De apostel Paulus heeft bijzondere 'religieuze ervaringen' gehad, maar ook hij beroept zich op het woord van God, 'want de Schrift zegt'.

Ro 10:8 ... Dit is het woord van het geloof dat wij prediken: Ro 10:9 dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, u behouden zult worden. Ro 10:10 Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis. Ro 10:11 Want de Schrift zegt: ‘Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’. Ro 10:12 Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek, want dezelfde Heer van allen is rijk jegens allen die Hem aanroepen: Ro 10:13 ‘want ieder die de naam van de Heer zal aanroepen, zal behouden worden’. (TELOS)

Paulus haalt Gods woorden aan in de verzen 11 en 13. Ook hij grondde zijn zekerheid op het woord van God.

Abraham ons voorbeeld

Abraham is onze 'vader' in het geloof. Hij is ook ons voorbeeld, ons voorbeeld van verzekerd-zijn. Abraham was 'ten volle verzekerd' dat God zijn belofte gestand zou doen.

Ro 4:21 en ten volle verzekerd was, dat wat Hij beloofd heeft, Hij ook machtig is te doen. (TELOS)

Hij was er zeker van dat hij een kind zou krijgen, hoewel hij, gezien zijn en Sara's leeftijd en lichaam, geen kind zou kunnen krijgen. Zijn zekerheid berustte dus niet op zijn kennis van het menselijk lichaam, maar op vertrouwen op God en Diens belofte en almacht. God zegt het, God kan het en God zal het doen. Evenals Abraham mogen wij verzekerd zijn, zekerheid van het geloof hebben, doordat we van God zeker kunnen zijn. God is het voorwerp van ons geloof en daarmee de grond van onze zekerheid. Hij zal ons geloof niet beschamen.

Rechthebbende

Gelovigen zijn rechthebbenden. Want allen die de Heer Jezus aangenomen hebben, hun heeft Hij macht of recht gegeven om kinderen van God te worden (Joh. 1:12).

De apostel Johannes schreef:

1 Joh. 3:1-2. Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd Worden, en wij zijn het (ook). Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods. Wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want we zullen Hem zien, gelijk Hij is

Onze behoudenis is Gods wil

God heeft de wereld zó lief gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven heeft (Joh. 3:16).

Jezus zei: "Dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles Wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het opwek op de jongste dag" (Joh. 6:39-40)

Geen veroordeling

Wie in de Heer Jezus gelooft, wordt niet veroordeeld (Joh. 3:18). Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn (Rom. 8:1)

De Heer Jezus heeft door Zijn offerbloed al onze zonden weggenomen, heeft ons daarvan gereinigd. "Het is onmogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt" (Hebr. 10:4). Zijn bloed kan ons wel reinigen van onze zonden. Eenmaal gereinigd (op grond van geloof) hoeven wij geen geweten van zonden meer te hebben; ons geweten klaagt ons niet meer aan als wij beseffen dat onze zonden zijn weggenomen (vgl. Hebr. 10:2).

Genade

Onze zekerheid berust niet op verdienste. Verdienste is geen vaste grond. Onze verdienste van vandaag, kan worden overschaduwd door de overtreding van morgen. Het is Gods genade en de genade van de Heer Jezus die ons aanneemt en eeuwig leven schenkt. De genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus. (Rom. 6:23b)

Ro 4:16 Daarom is het op grond van geloof, opdat het naar genade zou zijn, zodat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet alleen dat wat uit de wet is, maar ook dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen (TELOS)

De genade van God is overvloediger dan onze overtredingen.

Ro 5:20 Maar de wet is daarbij gekomen, opdat de overtreding zou toenemen; maar waar de zonde toenam, is de genade veel overvloediger geworden; (TELOS)

Door de genade worden Joden en niet-Joden behouden. Petrus heeft gezegd:

Hnd 15:9  en Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, daar Hij door het geloof hun harten heeft gereinigd. Hnd 15:10  Nu dan, waarom verzoekt u God door een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaderen noch wij in staat zijn geweest te dragen? Hnd 15:11  Maar door de genade van de Heer Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als ook zij. (Telos)

Genade bewijzen is Gods kant. En het aanwijzen van het redmiddel, namelijk geloof, is Gods kant. Het aangrijpen van het redmiddel, namelijk geloven in de Heer Jezus, is onze kant. "Op dezelfde wijze' (vers 11) wil zeggen: 'door het geloof' (vers 9). Niet door wetsbetrachting (het juk van de wet, vers 10) of bevinding, maar 'door het geloof'. Onze harten worden niet 'gereinigd' (vers 9) door een ernstig besef van zonde, maar door geloof in de Heiland van zondaren.

We mogen ons verwonderen over de woorden van de genade die uit de mond van Jezus komen.

Lu 4:22  En allen gaven Hem getuigenis en verwonderden zich over de woorden van de genade die uit zijn mond kwamen, ... (Telos)

Verzoend, nieuwe schepsel, rechtvaardig

Het helpt om tot geloofszekerheid te komen, wanneer wij afzien van onze twijfel, onze innerlijke onrust, ons gevoel van onzekerheid, en zien, staren op zaken buiten ons, die het fundament van onze zekerheid vormen. Niet zien of staren op onze voeten, maar zien op de rots waarop onze voeten staan. ("de steenrots nu was Christus", 1 Cor. 10:4).

De gelovige is met God verzoend, door iets buiten hemzelf: de dood van iemand anders, namelijk Jezus.

Ro 5:10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon, veel meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door zijn leven. (TELOS)

De gelovige is geen doemwaardige, maar een rechtvaardige, en dit niet door eigen gehoorzaamheid, maar door de gehoorzaamheid van iemand anders, namelijk de Heer Jezus.

Ro 5:19 Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens de velen tot zondaars zijn gesteld, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene de velen tot rechtvaardigen gesteld worden. (TELOS)

De gelovige is voor God een nieuw schepsel, niet uit of in zichzelf, maar in verbinding met Christus, "in Christus ... en dit alles is uit God".

"Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. En dit alles is uit God, die door Christus ons met zlch verzoend heeft." (2 Cor. 5:17-18).

Beloofd is beloofd

Dat kunnen mensen zeggen. Maar als God iets belooft, kunnen wij er zeker van zijn. De Heer Jezus geeft de gelovigen eeuwig leven en, zegt Hij, "zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand raven, niemand kan iets roven uit de hand van mijn Vader. Ik en de Vader zijn één." (Joh. 10:28)

Jezus zei:

Joh. 11:25 Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een een ieder die leeft en in mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.

Heb 10:23  Laten wij de belijdenis van de hoop onwankelbaar vasthouden (want Hij die beloofd heeft, is getrouw), (Telos)

Vrijmoedigheid

Een gelovige kan vrijmoedig tot God gaan.

Efe 3:12  in Wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem. (Telos)

Een gelovige weet dat hij van nature een zondaar is, maar hij weet ook dat Christus "onze vrede is" (Ef. 2:14) en dat wij door diens bloed vrede met God hebben, "de vergeving van de overtredingen" (Ef. 1:7). Zie vrijmoedigheid voor het hoofdartikel.

Niet beschaamd of teleurgesteld

Mensen kunnen teleurgesteld worden, hun vertrouwen kan beschaamd worden, hun verwachtingen niet uitkomen. Maar als ons geloof op God is gevestigd, zullen wij niet beschaamd worden. Want de Schrift zegt: ‘Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’. (Rom. 10:11)

Ro 9:33 zoals geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis’; en ‘wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’. (TELOS)

Entree en toegang

Neem eens dat jij en ik naar een voorstelling willen gaan en de entree is 10 euro. Ik heb 5 euro en jij hebt 0 euro. Wie van ons heeft de beste kans om binnen te komen? Geen van ons. Zo is het ook met de toegang tot de hemel. Wij kunnen uit onszelf niet voldoen aan de heilige en rechtvaardige eisen van God. Wij schieten tekort; we hebben te weinig om de entree te betalen. Maar Jezus komt ons te hulp. Hij heeft het voor ons in orde gemaakt. Hij betaalde voor ons de entree met Zijn bloed, met Zijn kostbaar leven. Allen die op Hem hun vertrouwen stellen, worden rechtvaardig verklaard en ontvangen gratis 'het toegangsbewijs'.[1]

Joh 10:7  Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen. (SV)

Joh 10:7  Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de Deur voor de schapen. (HSV)

Joh 14:6  Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij. (SV)

Joh 14:6  Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. (HSV)

Ro 5:2  Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. (SV)

Ro 5:2  Door Hem hebben wij ook de toegang verkregen door het geloof tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God. (HSV)

Efe 2:18  Want door Hem hebben wij beiden den toegang door een Geest tot den Vader. (SV)

Efe 2:18  Want door Hem hebben wij beiden door één Geest de toegang tot de Vader. (HSV)

Efe 3:12  In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem. (SV)

Efe 3:12  In Hem hebben wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen, door het geloof in Hem. (HSV)

Behoudenis: Gods werk en ons aandeel

Wij worden uit genade behouden, niet op grond van werken of verdienste. Maar behouden worden heeft wel twee kanten: Gods kant en onze kant. God doet iets en wij doen iets. Stel, wij zijn drenkelingen in de zee. Gelukkig nadert de redding in de vorm van een man in een boot. Wij zijn moe, maar zijn er met ons verstand en onze wil en onze handen bij, wij zullen niet bewusteloos in de boot komen. In de boot staat een man. Als hij roept "grijp dat touw" of "houd je hieraan vast" of een andere aanwijzing geeft, dan moeten wij er, ter wille van ons behoud, gevolg aan geven. Er wordt van ons enige activiteit gevraagd. Wij kunnen onszelf alleen niet redden. Maar we moeten wel iets doen. Als we zodoende gered worden, zullen wij niet roemen in onszelf, maar in de redder. Hij zal niet ons bedanken, maar wel blij zijn met onze redding.

Lot en de zijnen werden door twee engelen meegetrokken uit Sodom. De engelen moesten hen echt bij de hand grijpen en meetrekken.

Ge 19:16  Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad. (SV)

De mede-werking van Lot en de zijnen bestond in mee-gaan, mee-lopen. Zonder het werk van de beide reddende engelen waren zij verloren gegaan. Eenmaal buiten gebracht ontmoetten zij de HEERE, die hen iets gebiedt.

Ge 19:17  En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. (...) Ge 19:22 Haast, behoud u ... (SV)

"Behoud u ... behoud u ... haast u, behoud u". Dat droeg God Lot op. Hij moest iets doen. Lot vlucht dan, met Gods goedvinden, naar Zoar. Voordat Lot zijn vlucht vervolgt, erkent hij dat God zijn ziel behoudt bij het leven.

Ge 19:19  Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; ... (SV)

Ge 19:29  En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had. (SV)

Het was dankzij Abraham. En het was Gods uitleiding.

Het is dankzij Jezus, en het is Gods uitleiding, als wij behouden worden. Het werk dat God van ons vraagt is: bekering en geloof. God trekt aan ons, trekt ons mee, maar wij moeten meegaan, zódoende meewerken. God keert ons om, wij moeten meedraaien. Wij moeten iets doen: ons omkeren (bekeren) en geloven.

Wat moeten wij doen om de werken van God te werken? vroegen mensen aan Jezus. Zijn antwoord: geloven in Mij.

Joh 6:27  Werkt niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u zal geven, want Hem heeft de Vader, God, verzegeld. Joh 6:28  Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken van God werken?  Joh 6:29  Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem die Hij heeft gezonden. (Telos)

Vastheid en bevestiging

Vastheid van geloof is een goede zaak, waarover Paulus zich over gelovigen verblijdde. De gelovigen te Kolosse toonden vastheid van geloof in Christussen. Doch ze moesten ook steeds bevestigd worden, hun vastheid moest onderhouden worden.

Col 2:4  Dit zeg ik, opdat niemand u met overredende taal misleidt.  Col 2:5  Want al ben ik ook naar het lichaam afwezig, toch ben ik in de geest bij u en verblijd mij bij het zien van uw orde en de vastheid van uw geloof in Christus. Col 2:6  Zoals u dan Christus Jezus, de Heer, ontvangen hebt, wandelt in Hem,  Col 2:7  terwijl u geworteld bent en opgebouwd wordt in Hem en bevestigd wordt in het geloof, zoals u is geleerd, daarin overvloeiend met dankzegging. (Telos)

Bron

H. Moll, Wat zegt Gods Woord over ...?; enige belangrijke onderwerpen door Gods Woord belicht, deel II (Dordrecht, H. Moll, z.j.), blz. 59-60. Tekst hiervan is, onder toestemming, op 7 feb. 2018 verwerkt.

Meer weten

Georg Cutting, Veilig, zeker, gelukkig. Download (pdf-document) van Debijbelvoorjou.nl. Omvang: 12 blz.

H. Bavinck, De zekerheid des geloofs. Kampen: J.H. Kok, 1932 (4e druk). Omvang: 104 blz.

W.J. Ouweneel, Geloofszekerheid. Vaassen: uitgeverij Medema, 1996. Omvang: 167 blz. Boekbespreking op Vergadering.nu.

Video

Jacques Brunt, Geloofszekerheid. Video geüpload op 25 april 2013 door CIP.nl op Youtube.com. Speelduur: 7 min 34 sec.

Voetnoot

  1. Naar een kalenderblaadje van Lichtstralen uit het Woord 2005, een uitgave van Uitgeverij Medema te Vaassen.