Zofar

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zofar, ook geschreven Sofar en Zophar, was een van de vrienden van Job.

Job en zijn drie vrienden

Naam. De Hebreeuwse naam is צופר, Tsofar. De eigennaam betekent "mus"[1] of "Die tjilpt"[1]. Het Strongnummer is 06691. De naam komt 4x in de Bijbel voor, in het boek Job.

Hij wordt genoemd "de Naämathiet" = inwoner van Naäma, een dorp of stad waarvan de ligging onbekend is.

Medelijden met Job. Hij kwam met Jobs vrienden Elifaz en Bildad om Job te beklagen en te vertroosten (Job 2:11). De drie vrienden weenden toen zij de toestand van Job zagen.

Job 2:11 Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten. Job 2:12  En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel. Job 2:13  Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was. (SV)

Gesprek met Job. Zofar was de bekrompenste, onhartelijkste, bitterste van de drie vrienden van Job. Hij had de mond vol van de roem der wijsheid en macht van God (Job  11). Hij liet zich veel voorstaan op zijn verstand en ervaring (Job 20). Hij duidde Job tamelijk duidelijk als een huichelaar aan, die om verborgen zonden gestraft wordt. Overigens wist hij bij het derde onderhoud tegen Jobs rechtvaardiging niets meer in te brengen.

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Zophar. De tekst van dit lemma is op 22 juli 2019 onder wijziging verwerkt.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 Lexique Hébrue (numéros Strong). Onderdeel van de Online Bible (Importantia)